Europees handelsbeleid laveert tussen openheid en ‘Trumpiaans’ protectionisme (opinie)
Tussen vrijhandel en toenemende regulering laveert het Europese handelsbeleid steeds vaker tussen openheid en protectionisme. Terwijl de EU nieuwe akkoorden sluit, groeit tegelijk de kritiek dat Brussel zelf handelsinstrumenten inzet die doen denken aan het “trumpisme” dat het officieel afwijst. Opinie van Pieter Cleppe, hoofdredacteur van Brussels Report.
Gepubliceerd door Contribution Externe
Samenvatting van het artikel
— De EU sluit nieuwe handelsakkoorden maar verhoogt tegelijk de toegangsdrempels tot haar markt
— Instrumenten zoals CBAM en duurzaamheidsregels worden gezien als verkapt protectionisme
— Brussel riskeert aan geloofwaardigheid te verliezen door praktijken die het zelf bekritiseert
Op de eerste verjaardag van „Liberation Day“, de grote aankondiging van het douanetarievenbeleid van de Amerikaanse President Donald Trump, kondigde het Witte Huis een verlaging aan in de invoerrechten op staal en farmaceutische producten. Een positieve zaak voor de transatlantische handel.
Einde maart stemde het Europees Parlement dan weer in met het handelsakkoord dat de EU en de VS vorige zomer sloten om de onderlinge handelsrelatie tussen te stabiliseren na jaren van oplopende handels-spanningen en de tarievenoorlog van Trump. Daarbij verbindt de V.S. zich tot een 15 procent tariefplafond op de meeste Europese exportgoederen, in ruil voor lagere of geen invoerrechten van de EU op bepaalde Amerikaanse producten. Het akkoord loopt maar tot maart 2028 en voorziet een mogelijke “noodrem” voor de EU om in te grijpen indien Washington de voorwaarden niet zou naleven of bij een “schadelijke” toename van de invoer uit de VS.
In elk geval zorgt de goedkeuring voor wat meer kalmte in de woelige relatie tussen beide handelspartners, althans op handelsvlak. Op geopolitiek vlak blijft Trump maar dreigen met represailles voor Europese NAVO-lidstaten, aangezien hij vindt dat zij hem onvoldoende helpen met zijn oorlog tegen Iran. In de praktijk is de transatlantische handel over het afgelopen jaar ook gewoon gegroeid, ondanks de tarievenoorlog van Trump dus. Het zogenaamde Europese “surplus” op vlak van goederenexport naar de V.S. – een doorn in het oog van Trump – is in 2025 wel met 8 miljard gekrompen, wat uiteraard ook veel te maken heeft met de torenhoge Europese energieprijzen, die de industrie met een grote concurrentiehandicap opzadelen.
Een akkoord met Australië
Voorts was er nog goed nieuws over het Europese handelsbeleid. Na de goedkeuring van het Mercosur-akkoord met Latijns-Amerikaanse landen einde 2025 en met India begin van dit jaar, slaagden Europese onderhandelaars er in maart in om eindelijk ook een handelsakkoord met Australië af te sluiten. De sectoren die hierbij het snelst voordeel halen, zijn machines, de automobielindustrie en de chemie. Hun invoertarieven dalen bij de inwerkingtreding meteen tot nul. Ook Europese landbouwproducenten krijgen ruimere toegang tot de Australische markt, waarbij zij onder meer kazen, wijnen, zoetwaren, chocolade, suiker en diverse zuivelproducten makkelijker zullen kunnen invoeren, terwijl Australië Europese beschermde geografische aanduidingen zal erkennen.
Ook Australische ondernemingen zullen hierbij winnen, aangezien 98% van de exportwaarde naar de EU wordt vrijgesteld van invoerrechten. Ook landbouwproducten vanuit Australië krijgen daarbij betere toegang tot de Europese markt, waarbij Europese boeren in het bijzonder meer concurrentie vrezen van Australisch rundvlees, dat 30.600 ton extra preferentiële toegang krijgt.
Copa-Cogeca, de belangrijkste Europese landbouwlobby, reageerde al negatief, en stelde dat de Europese landbouwsector „opnieuw als onderhandelingschip“ van de EU-handelsstrategie is gebruikt. Net zoals bij het Mercosurakkoord, dat op 1 mei voorlopig in werking zal treden, haalt de landbouwsector, of toch het deel dat hier tegen is, echter bakzeil, zeker omdat ook het akkoord met Australië naar alle verwachting voorlopig in werking zal treden, nadat het Europees Parlement en de lidstaten hun zegen geven.
De grieven van de landbouwers moeten echter op begrip kunnen rekenen. Hun sector is immers zwaar gereguleerd in Europa, om niet van centrale planning te spreken. Het antwoord hierop moet echter zijn om de overdreven Europese regulering terug te schroeven, en niet het openmaken van handel tussen nauwe geostrategische bondgenoten zoals Australië.
Het pleidooi van Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (CD&V) voor een grootscheepse versoepeling van allerlei Europese is milieurichtlijnen in dat opzicht welkom, en veel constructiever dan het doen sneuvelen van moeilijk te onderhandelen handelsakkoorden. Brouns richt zich onder meer op de Europese kaderrichtlijn water, de habitatrichtlijn, die leidde tot het stikstofprobleem, en de nitraatrichtlijn, die aan de basis ligt van opeenvolgende mestactieplannen. Naast de terechte stelling van de Minister dat al die overdreven regulering leidt tot “disproportionele economische en maatschappelijke kosten, met beperkte meerwaarde voor het leefmilieu”, is het in de eerste plaats maar de vraag waarom dit allemaal op Europees niveau zou moeten worden beslist. Natuurbescherming is namelijk bij uitstek iets lokaals, en het zou aan democratisch verkozen nationale regeringen moeten zijn om de juiste balans tussen economie en natuurbescherming te bepalen, niet aan het ambtelijk supranationaal apparaat van de Europees Unie. De EU zou zich moeten beperken tot toezicht op de vraag of nationale milieuregels al dan niet verkapt protectionisme zijn.
Trumpisme
Europarlementslid Johan Van Overtveldt benadrukt dat het beleid van Trump aan de oorzaak ligt van de vooruitgang op vlak van Europese handelsakkoorden. Hij stelt in een analyse: “De VS blijft een belangrijke handelspartner, maar de acties van Trump hebben andere handelsakkoorden in stroomversnelling gebracht. [Dit] geeft onze bedrijven [ook] toegang tot bredere afzetmarkt.”
Voor Europa is het de juiste strategie. David Henig van de denktank ECIPE benadrukt echter dat de Europese Unie zelf ook “tot diegenen behoort die handelspolitiek als wapen wil inzetten.” Hij stelt: “Brussel probeerde het „Brussels effect“ bewust als wapen in te zetten door zijn marktmacht te gebruiken om andere landen te dwingen zijn regelgeving over te nemen, maar dat mislukte omdat bedrijven zich verzetten tegen de hogere kosten. Nu wordt het geconfronteerd met een interne verdeeldheid, waarbij uitgesproken protectionisten onder meer op het gebied van staal en auto’s druk uitoefenen.”
Men hoeft niet ver te kijken om EU – protectionisme te vinden. Er waren steeds al de douanetarieven, de gigantische landbouwsubsidies en regelgeving op maat gesneden van grote Europese bedrijven, mede bedoeld om nieuwkomers van de Europese markt te weren. Recent kwam daar nog het controversiële Europese “Carbon Border Adjustment Mechanism” (CBAM) bij. Dit EU-klimaattarief wordt opgelegd aan handelspartners die het suïcidale klimaatbeleid van de EU niet volgen, en brengt veel bureaucratie met zich mee, zelfs voor Europese bedrijven. Handelspartners zoals India beschouwen dit als regelrecht protectionisme.
De Amerikaanse regering-Trump wist afgelopen zomer concessies voor Amerikaanse bedrijven te bedingen, wat leidde tot een vraag van Zuid-Afrika om ook te worden vrijgesteld, aangezien Afrikaanse economieën erg hard dreigen te worden getroffen door CBAM.
Frankrijk en Italië willen dat meststoffen worden vrijgesteld van CBAM, een vraag die door de oplopende energiekost als gevolg van de oorlog in Iran alsmaar dringender zal worden. Het is maar de vraag of het niet beter is het peperdure klimaatbeleid van de EU, en met name de klimaatbelasting ETS, die de energieprijzen in de EU kunstmatig hoog houdt, te schrappen. ETS richt grote schade aan het concurrentievermogen van Europese bedrijven, maar de CO2-reductie als gevolg van het instrument is al bij al beperkt. Dan is er ook geen CBAM meer nodig, om het speelveld te effenen.
De EU legt niet enkel douanetarieven op aan handelspartners. Steeds vaker wordt regelgeving, vermomd als “milieunormen”, misbruikt om hetzelfde doel te dienen. De ontbossingsregels van de EU verplichten exporteurs van cacao, koffie, soja, palmolie, rundvlees en aanverwante producten om aan te tonen dat het land dat voor de productie wordt gebruikt, sinds eind 2020 niet is ontbost.
Deze extra bureaucratie zorgde voor spanningen met Brazilië en de Verenigde Staten. Het heeft ook de relatie tussen de EU en Zuidoost-Aziatische palmolie-exporteurs zoals Maleisië en Indonesië – economische grootmachten die voor de EU een prioriteit zouden moeten zijn in haar streven naar diversificatie van haar handelspartners – ernstig verzuurd. Van geen tel blijkt dat de ontbossing in Maleisië, mede dankzij binnenlandse regelgeving, aanzienlijk is verbeterd, waarbij ngo's een afname van 13 % in 2024 erkennen. Volgens Global Forest Watch verloor Maleisië in 2024 slechts 0,56 % van zijn resterende oerbos. Dat is minder dan het verlies van 0,87% in Zweden. Het feit dat ook hier de Verenigde Staten een gedeeltelijke vrijstelling voor Amerikaanse producten kregen toegekend, draagt bij aan het gevoel van ontevredenheid.
Voorts zijn handelspartners – zeker de V.S. - ook ontevreden over de nieuwe regels van de EU inzake duurzaamheid voor bedrijven, vastgelegd in de richtlijnen inzake duurzaamheidsverslaglegging door bedrijven (CSRD) en zorgvuldigheidseisen inzake duurzaamheid voor bedrijven (CS3D). Onlangs werden die wel wat afgezwakt, en ook de rapportageverplichtingen en andere bureaucratische eisen voor bedrijven werden verminderd, maar nog heel wat andere “niet-tarifaire belemmeringen” blijven in voege.
Indien de EU een wereld zonder “Trumpisme” wil, kan het beter eerst voor eigen deur vegen.