“Geef wie het nodig heeft 500 à 550 euro per maand voor huur op de private markt”: Vande Reyde wil systeem van sociale woningen omgooien
Het Vlaams Parlement heeft het woondecreet van de Vlaamse Regering goedgekeurd dat het nieuwe bindend sociaal objectief vastlegt. Het ontwerp, ingediend onder impuls van minister van Wonen Hans Bonte (Vooruit), moet zorgen voor 50.000 extra sociale woningen tegen 2042. Maar onafhankelijk Vlaams Parlementslid Maurits Vande Reyde (Durf) verzet zich tegen die aanpak en pleit voor een alternatief: schaf het systeem van woonmaatschappijen af, laat de private markt bouwen en geef huurders rechtstreeks 500 à 550 euro per maand steun.
Gepubliceerd door Peter Backx
• Bijgewerkt op
Samenvatting van het artikel
De Vlaamse woonmaatschappijen boekten in 2024 samen 140 miljoen euro verlies, terwijl ze tegelijk over aanzienlijke reserves beschikken en jaarlijks 1,3 miljard euro Vlaamse steun ontvangen. Volgens Vlaams Parlementslid Maurits Vande Reyde (Durf) staat dat in schril contrast met de beperkte bouw van sociale woningen en de wachtlijst van 200.000 gezinnen. Hij pleit daarom voor de afschaffing van woonmaatschappijen, meer ruimte voor de private markt en gerichte huursteun voor wie het echt nodig heeft.
Voor de meerderheid is het decreet een noodzakelijke structurele versterking van het sociale woonaanbod. Vande Reyde noemt het daarentegen een voortzetting van een systeem dat al jaren te weinig oplevert. Hij pleit voor een fundamentele koerswijziging, met minder structuur en meer directe ondersteuning van mensen die vandaag worstelen met hoge huurprijzen.
Wat verandert het decreet concreet?
Met het goedgekeurde decreet wordt het bindend sociaal objectief (BSO) voor de periode 2026–2042 wettelijk verankerd. Vlaanderen wil minstens 45.000 sociale woningen verplicht realiseren, gespreid over alle gemeenten. Waar mogelijk kunnen daar nog eens 5.000 extra woningen bijkomen.
Gemeenten worden ingedeeld en opgevolgd via voortgangstoetsen. Lokale besturen moeten samen met hun woonmaatschappij afspraken maken over hoe ze hun doelstellingen zullen behalen. Die afspraken kunnen in overeenkomsten worden vastgelegd, eventueel via een driepartijenovereenkomst met Vlaanderen.
Als een lokaal bestuur “kennelijk onvoldoende inspanningen” levert en daar geen geldige verklaring voor heeft, kan een financieel mechanisme volgen. Volgens de meerderheid gaat het om een laatste redmiddel. Het doel is druk zetten waar nodig, maar vooral samenwerking stimuleren.
Daarnaast bevat het decreet ook bepalingen rond zogenoemde geconventioneerde of budgethuur. Daarbij kunnen woonmaatschappijen samenwerken met private initiatiefnemers om betaalbare woningen te realiseren voor mensen die net boven de inkomensgrens voor sociale huur vallen.
Minister Bonte benadrukte in het debat dat het decreet een sluitstuk vormt na eerdere hervormingen van de woonmaatschappijen en flankerende maatregelen om projecten sneller van de grond te krijgen.
“Je lost dit niet op met boetes”
Voor Vande Reyde vertrekt het decreet vanuit een verkeerde analyse. “Er zijn de afgelopen jaren verschillende studies geweest naar waarom er te weinig sociale woningen bijkomen. Daarin staat nergens dat je lokale besturen moet beboeten. Dat is niet de kern van het probleem.”
Hij verzet zich tegen het idee dat gemeenten financieel onder druk moeten worden gezet. “Wat gaat dat oplossen? Sommige besturen zullen die boete gewoon betalen. De oorzaak zit dieper. Die zit in de manier waarop wij sociale huisvesting organiseren.”
Kritiek op woonmaatschappijen
Vande Reyde viseert het systeem van 41 woonmaatschappijen in Vlaanderen. Hij wijst op financiële verliezen en het feit dat een aanzienlijk deel onder verscherpt financieel toezicht staat.
“We hebben een absurd systeem met tientallen woonmaatschappijen waar enorm veel mensen werken. Die maken samen zware verliezen. Elk jaar worden de financiële putten gedicht met belastinggeld. Maar daarmee bouw je geen extra woningen.”
Hij verwijst naar de zogenaamde gewestelijke sociale correctie, waarmee tekorten worden bijgepast. “Dat houdt vooral structuren in stand. Maar als je naar de realisaties kijkt op het terrein, dan blijft de bouw achter. We voeren al tien, twintig jaar dezelfde discussie. Dat moet toch een signaal zijn dat het systeem niet werkt.”
Rechtstreekse huursteun van 500 à 550 euro
Zijn alternatief vertrekt vanuit een eenvoudige redenering: kijk naar het verschil tussen sociale en private huurprijzen en ondersteun huurders rechtstreeks.
“Ik heb het verschil berekend tussen de sociale huurprijs en de private huurprijs. Dat bedraagt ongeveer 500 à 550 euro per maand. Als je dat bedrag rechtstreeks aan mensen geeft die het nodig hebben, kun je vandaag iedereen helpen met minder middelen.”
De steun zou gericht worden toegekend, bijvoorbeeld wanneer huur een te groot deel van het besteedbaar inkomen opslorpt. Geen algemene premie, maar een selectieve tussenkomst.
“Je kunt dat veel gerichter doen dan vandaag. Alleen wie het echt nodig heeft, krijgt steun. En je vermijdt een hele laag administratie en structuren die vandaag veel middelen opslorpen.”
Meer ruimte voor de private markt
Een tweede pijler van zijn voorstel is het vergroten van het aanbod via de private sector. “De overheid is geen projectontwikkelaar. Laat de private markt bouwen. Die kan sneller en efficiënter projecten realiseren. Als je het aanbod vergroot en tegelijk mensen ondersteunt, dan krijg je automatisch meer betaalbare woningen.”
Hij stelt dat het huidige systeem de private markt in het lagere segment verdringt in plaats van aanvult. “Vandaag concurreren woonmaatschappijen met private bouwers, maar zonder dezelfde efficiëntie. Dat leidt tot vertraging en hogere kosten.”
Twee visies op betaalbaar wonen
Het debat in het parlement toont twee fundamenteel verschillende visies op sociale huisvesting. Minister Bonte (Vooruit) en de meerderheid kiezen voor een bindend, langetermijnkader met duidelijke doelstellingen tot 2042, samenwerking met lokale besturen en woonmaatschappijen, en sancties als stok achter de deur.
Vande Reyde kiest voor een structurele hervorming waarbij de overheid zich minder richt op het zelf bouwen of organiseren van sociale woningen, en meer op het ondersteunen van mensen rechtstreeks. “Ik weet dat dit vandaag geen meerderheid haalt. Maar als we binnen een jaar opnieuw vaststellen dat de bouw achterblijft en de wachtlijsten blijven groeien, dan moeten we durven erkennen dat het model niet werkt.”