Bijna de helft van 65-plussers gaat er cognitief of fysiek op vooruit. Waarom gelooft niemand dat?
Een grootschalige studie aan Yale deconstrueert een van de hardnekkigste mythes in de gezondheidszorg: dat ouder worden per definitie betekent achteruitgaan. De data vertellen een ander verhaal.
Gepubliceerd door Dominique Dewitte
Samenvatting van het artikel
Een grootschalige Yale-studie toont aan dat bijna de helft van de 65-plussers er cognitief of fysiek op vooruitgaat over een periode van twaalf jaar en dat wie positief denkt over ouder worden significant vaker verbetert.
Becca Levy en Martin Slade van de Yale School of Public Health volgden meer dan 11.000 Amerikanen van 65 jaar en ouder gedurende een periode van maximaal twaalf jaar. Ze maten twee indicatoren: loopsnelheid, een betrouwbare graadmeter voor algemene fysieke gezondheid die artsen ook wel het zesde vitale teken noemen en cognitief functioneren. Dit laatste via een gevalideerde test die geheugen, rekenvaardigheid en andere domeinen in kaart brengt.
De bevinding: 45,15 procent van de deelnemers ging er in minstens een van de twee domeinen op vooruit. Zo'n 32 procent verbeterde cognitief, 28 procent liep aan het einde van de studieperiode sneller dan bij aanvang. Dat zijn geen marginale uitzonderingen. Naar de volledige Amerikaanse bevolking vertaald, gaat het om meer dan 26 miljoen mensen. Voor ons land zou het om meer dan 1,1 miljoen mensen gaan.
Het gemiddelde bedriegt
Er zit een methodologische val in hoe de meeste studies over veroudering worden opgezet. Wie alle deelnemers als homogene groep behandelt en hun scores als een gemiddelde berekent, ziet inderdaad achteruitgang. De TICS-cognitiescore daalde gemiddeld met 1,39 punt, de loopsnelheid met 11,69 cm per seconde. Dat klopt statistisch, maar het maskeert wat er werkelijk gebeurt binnen de groep. Door verbetering expliciet als mogelijke uitkomst te meten, in plaats van alleen te kijken of iemand al dan niet achteruitgaat, ontstaat een fundamenteel ander beeld.
De Wereldgezondheidsorganisatie hanteert tot op heden een meetinstrument voor cognitieve en fysieke capaciteit bij ouderen dat verbetering structureel uitsluit als categorie. Levy’s bevindingen zijn daarmee ook een pleidooi voor methodologische hervorming in het vakgebied.
Wat je gelooft, bepaalt mee wat er gebeurt
Levy onderzocht ook of positieve overtuigingen over ouder worden voorspellen wie verbetert. Deelnemers scoorden hun houding tegenover eigen veroudering via een gevalideerde vijfpuntenschaal. De conclusie is helder: wie positiever stond tegenover ouder worden, vertoonde significant vaker verbetering in zowel cognitie als loopsnelheid. Dat effect bleef overeind na correctie voor leeftijd, geslacht, opleiding, depressie, cardiovasculaire aandoeningen en genetische aanleg.
Het mechanisme achter dit verband is niet mysterieus. Eerder onderzoek van hetzelfde team toonde aan dat negatieve overtuigingen over ouder worden geassocieerd met biomarkers van Alzheimer, waaronder plaque-ophoping en een kleinere hippocampus. Deze laatste vervult twee centrale functies: geheugen en ruimtelijke navigatie. Positieve overtuigingen lijken een tegengesteld pad te activeren. Mogelijk via hogere zelfeffectiviteit, meer beweging en grotere mentale betrokkenheid, wat opnieuw leidt tot betere resultaten.
Een mythe met reële gevolgen
De studie verschijnt in een context waar de overtuiging dat ouder worden synoniem is aan verval diep verankerd zit. Ook bij mensen die het beter zouden moeten weten. Een wereldwijd onderzoek bij bijna 40.000 mensen stelde vast dat 65 procent van de zorgverleners foutief gelooft dat alle ouderen dementie ontwikkelen. Bij de algemene bevolking loopt dat cijfer op tot 80 procent. In de VS denkt 77 procent van de 40-plussers dat hun cognitie onvermijdelijk achteruit zal gaan.
Die overtuiging heeft directe klinische gevolgen. Zorgverleners die ervan uitgaan dat ouderen toch niet beter worden, zijn minder geneigd om preventieve of revalidatieve zorg aan te bieden. Ouderen zelf vertonen wat onderzoekers omschrijven als fatalisme. Ze investeren minder in gedrag dat hun gezondheid zou kunnen verbeteren, omdat ze de uitkomst als vaststaand beschouwen.
Levy besluit met een oproep die verder gaat dan de wetenschap. Veroudering moet opnieuw gedefinieerd worden. Niet als een proces van onvermijdelijk verlies, maar als een fase waarin ook verbetering mogelijk is. Dat is geen optimistisch wensdenken. Het is wat de data tonen.