België riskeert Europees gezichtsverlies met eredoctoraat voor Francesca Albanese
Op 2 april 2026 kennen de Vrije Universiteit Brussel, de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Gent gezamenlijk een eredoctoraat toe aan Francesca Albanese, de omstreden VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Palestijnse gebieden. Uitgerekend op het moment dat Frankrijk, Duitsland, Italië, Oostenrijk en Tsjechië om haar ontslag vragen, willen drie Belgische universiteiten haar belonen met de hoogste academische eer. Dat dreigt in Europees perspectief uit te draaien op diplomatiek gezichtsverlies voor België.
Gepubliceerd door Peter Backx
• Bijgewerkt op
Samenvatting van het artikel
Drie Vlaamse universiteiten reiken op 2 april 2026 een gezamenlijk eredoctoraat uit aan VN-rapporteur Francesca Albanese. De beslissing zorgt voor controverse, omdat meerdere Europese regeringen haar functioneren openlijk in vraag stellen en Joodse organisaties haar uitspraken scherp bekritiseren. Ook binnen de academische wereld is er verdeeldheid, en de KU Leuven besliste niet mee te doen. Daardoor dreigt de onderscheiding in het buitenland te worden gelezen als een politiek signaal, met mogelijk reputatieschade voor België.
België riskeert Europees gezichtsverlies met eredoctoraat voor Francesca Albanese
Op 2 april 2026 kennen de Vrije Universiteit Brussel, de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Gent gezamenlijk een eredoctoraat toe aan Francesca Albanese, de omstreden VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Palestijnse gebieden. Uitgerekend op het moment dat Frankrijk, Duitsland, Italië, Oostenrijk en Tsjechië om haar ontslag vragen, willen drie Belgische universiteiten haar belonen met de hoogste academische eer. Dat dreigt in Europees perspectief uit te draaien op diplomatiek gezichtsverlies voor België.
Het gezamenlijke karakter van de beslissing geeft haar extra gewicht. Het gaat niet om één instelling die een academische keuze maakt, maar om drie universiteiten die samen optreden. Dat verleent de onderscheiding een institutionele uitstraling die verder reikt dan een klassieke academische erkenning.
De universiteiten benadrukken dat het een weloverwogen beslissing is, genomen na advies van mensenrechtenspecialisten. Volgens hen is het eredoctoraat een erkenning voor Albanese’s inzet voor fundamentele rechten, ondanks intimidatie en politieke druk. Ze maken duidelijk dat het geen eredoctoraat is “tegen welke Joodse organisatie of instelling dan ook” en dat de beslissing momenteel niet wordt heroverwogen.
Interne verdeeldheid
Toch is er geen unanimiteit binnen de academische wereld. UGent-professor en bestuurder Gert De Cooman distantieerde zich publiek van de beslissing en noemt ze “ongelukkig en onverstandig”. Hij stelt dat sommige uitspraken van Albanese verder gaan dan scherpe kritiek op Israël en dat het “parfum van antisemitisme” de associatie via een eredoctoraat problematisch maakt.
Mikael Petitjean, professor aan UCLouvain en gastdocent in Gent, spreekt van “institutioneel activisme” en kondigde aan zijn samenwerking met de Gentse universiteit stop te zetten. De verdeeldheid beperkt zich dus niet tot externe actoren. Ook binnen universitaire kringen zelf leeft twijfel over de wijsheid van de beslissing.
Kritiek van Joodse organisaties
Extern komt de scherpste kritiek van Joodse organisaties. Het Europees Joods Congres riep de drie universiteiten expliciet op hun beslissing te herzien. Volgens het Congres vertoont Albanese een patroon van uitgesproken partijdigheid tegenover Israël en schiet zij tekort in de neutraliteit die van een VN-rapporteur wordt verwacht.
Daarnaast verwijst het EJC naar eerdere uitspraken waarin Israël werd vergeleken met nazi-Duitsland, wat volgens Joodse organisaties neerkomt op het bagatelliseren van de Holocaust. Ook uitlatingen over “financieel kapitaal” en vermeende Joodse invloed worden als problematisch beschouwd omdat ze aansluiten bij klassieke antisemitische stereotypen.
Het Forum der Joodse Organisaties uitte gelijkaardige bezwaren en verwees naar de werkdefinitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance, waarin vergelijkingen tussen Israël en nazi-Duitsland expliciet als problematisch worden aangemerkt.
Het zwaarste verwijt betreft Albanese’s reactie op de aanslagen van 7 oktober 2023. Haar oproep om “het geweld in context te plaatsen” wordt door critici gezien als een relativering van de zwaarste aanval op Joodse burgers sinds de Holocaust. Hier raakt het debat aan fundamentele historische en morele gevoeligheden die in Europa bijzonder zwaar wegen.
Politieke druk vanuit Europa
Na een optreden van Albanese op 7 februari tijdens een forum in Doha, waar zij sprak over Israël als een “gemeenschappelijke vijand van de mensheid”, volgde internationale verontwaardiging. Op 11 februari riep de Franse minister van Buitenlandse Zaken Jean-Noël Barrot publiekelijk op tot haar ontslag. Duitsland en Italië sloten zich daarbij aan. Ook Oostenrijk en Tsjechië drongen aan op herziening of beëindiging van haar mandaat.
In dat Europese klimaat krijgt de beslissing van de drie Vlaamse universiteiten een bijzondere lading. Terwijl meerdere EU-lidstaten expliciet afstand nemen van Albanese, kiezen Belgische universiteiten ervoor haar te onderscheiden.
KU Leuven haakte af
Opvallend daarbij is de keuze van de KU Leuven om niet mee te stappen in het gezamenlijke initiatief. De Leuvense universiteit werd uitgenodigd om aan te sluiten bij de uitreiking, maar besliste na intern overleg om dat niet te doen. Volgens een reconstructie van studentenblad Veto was Albanese in het voorjaar van 2025 al eens voorgedragen als eredoctor in Leuven. De Academische Raad besliste toen, op advies van de interne commissie voor eredoctoraten, om haar kandidatuur niet te weerhouden.
Daar speelden meerdere elementen in mee. Haar profiel zou sterk overlappen met dat van mensenrechtenjuriste Hina Jilani, die al als eredoctor was vastgelegd. Daarnaast had de KU Leuven in maart 2025 een eredoctoraat toegekend aan de Verenigde Naties als organisatie, wat volgens de universiteit indirect ook het werk van VN-rapporteurs omvatte. Ook procedurele bedenkingen wogen mee.
Toen in oktober het voorstel kwam om met meerdere universiteiten samen op te treden, boog de KU Leuven zich opnieuw over het dossier, maar bleef bij haar eerdere negatieve advies. Volgens de reconstructie zou aansluiten bij het initiatief de eigen interne procedure ondergraven. Tegelijk bestond de vrees dat vasthouden aan het eerdere besluit kon worden geïnterpreteerd als terugdeinzen voor controverse.
Uiteindelijk groeide een consensus om niet deel te nemen. De ceremonie op 2 april zal dus plaatsvinden zonder de KU Leuven. Daarmee wordt zichtbaar dat zelfs binnen Vlaanderen geen volledige eensgezindheid bestaat over de symbolische betekenis van deze onderscheiding.
Academische vrijheid versus reputatie
De drie betrokken universiteiten beroepen zich op academische vrijheid. Dat principe is legitiem en essentieel. Universiteiten moeten onafhankelijk kunnen beslissen wie zij eren. Ze mogen geen verlengstuk worden van diplomatieke agenda’s. Maar academische vrijheid sluit internationale gevolgen niet uit. Een gezamenlijk eredoctoraat door drie universiteiten krijgt onvermijdelijk een nationale uitstraling, zeker wanneer het onderwerp al centraal staat in een Europees politiek debat.
België profileert zich internationaal als gastland van Europese instellingen en als pleitbezorger van multilateralisme en mensenrechten. In die rol is reputatie cruciaal. Wanneer verschillende Europese regeringen de geloofwaardigheid van een VN-rapporteur openlijk in twijfel trekken, maar Belgische universiteiten haar onderscheiden, ontstaat een spanningsveld tussen academische autonomie en internationale perceptie.
Wat op 2 april gebeurt, zal daarom niet alleen worden gezien als een academische ceremonie. In het huidige Europese klimaat zal het onvermijdelijk ook worden gelezen als een politiek signaal.