Kan de PS Brussel echt de les spellen over veiligheid? (opinie)
Na een reeks schietpartijen in Brussel stelt de auteur van deze tekst de verantwoordelijkheid van de PS aan de kaak en roept hij Bernard Quintin op om harder op te treden tegen de georganiseerde criminaliteit.
Gepubliceerd door Harrison du Bus
Samenvatting van het artikel
De auteur van deze tekst stelt de vraag of de PS, gezien zijn jarenlange bestuur, wel in de positie is om Brussel de les te spellen over veiligheid. Daarnaast roept hij Bernard Quintin op om zijn aanwezigheid en optreden tegen de georganiseerde criminaliteit te versterken.
Brussel werd opnieuw opgeschrikt door een reeks schietpartijen. In de eerste zeven maanden van 2026 werden al 57 schietincidenten geregistreerd en dit weekend werd zelfs een commissariaat aangevallen. Ahmed Laaouej roept minister van Binnenlandse Zaken Bernard Quintin op om eindelijk “ernstig werk te maken” van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.
De vraag dringt zich dan ook op: verkeert de PS werkelijk in de positie om Brussel de les te spellen over veiligheid?
De balans van de voorbije twintig jaar
Want vooraleer de federale regering ter verantwoording te roepen, zou het misschien beter zijn om eerst de balans van de voorbije twintig jaar op te maken. De PS heeft Brussel decennialang bestuurd en draagt dan ook een duidelijke politieke verantwoordelijkheid voor de huidige situatie. Die verantwoordelijkheid kan niet telkens met een eenvoudig persbericht na een nieuwe schietpartij van tafel worden geveegd.
Vooral één uitspraak zijn de Brusselaars niet vergeten. In 2018, toen veiligheidsproblemen al regelmatig aan de kaak werden gesteld, verklaarde de socialistische minister-president Rudi Vervoort: “Het is belachelijk, Brussel heeft geen veiligheidsprobleem. Ik heb niemand dat horen zeggen en we moeten ermee ophouden dat te herhalen. In werkelijkheid bezorgen we Brussel ten onrechte een negatieve reputatie. Brussel is niet gevaarlijk.”
Die uitspraak wordt sindsdien geregeld opnieuw aangehaald in het Brusselse politieke debat. Het probleem is net dat een deel van links in Brussel lange tijd weigerde de realiteit onder ogen te zien. En dan hebben we het nog niet over bestuurders als Philippe Moureaux, die een beleid voerden dat hele wijken in Sint-Jans-Molenbeek volledig onveilig maakte.
Het Kanaalplan en de veiligheidsmaatregelen
Toen de federale regering na de aanslagen het Kanaalplan invoerde, was dat nochtans geen veiligheidsmanie. Het plan was onder meer gericht op radicalisering, terrorisme, maar ook op wapen- en drugshandel en de illegale economie. Brusselse socialistische beleidsmakers hadden toen kritiek op bepaalde aspecten van het plan en op de aanpak, die volgens hen te veel op politieoptreden was gericht.
Over de doeltreffendheid of de methodes van een veiligheidsplan kan uiteraard worden gediscussieerd. Maar in de recente geschiedenis van Brussel valt één constante op: telkens wanneer een strengere aanpak werd voorgesteld, werd die maar al te vaak met argwaan onthaald, soms zelfs met de beschuldiging van stigmatisering. En vandaag ontdekt de PS dat georganiseerde criminaliteit een dringende kwestie is geworden.
Toch moet één ding worden erkend: Ahmed Laaouej heeft op één punt gelijk. De situatie is ernstig. Schieten op een commissariaat is een belangrijk alarmsignaal. De Brusselse PS heeft de aanval in Anderlecht overigens veroordeeld en terecht opgeroepen tot meer middelen voor de gerechtelijke politie, de politiezones, het gerecht en het parket. Maar dan blijft één vraag: wat heeft de PS gedaan in de jaren waarin ze aan de macht was om te voorkomen dat Brussel in deze situatie zou belanden?
Veiligheid is geen thema dat je pas ontdekt wanneer je in de oppositie terechtkomt. Het volstaat niet om een schietpartij op X te veroordelen of na een aanval op een commissariaat een persbericht te publiceren.
De verantwoordelijkheid van Bernard Quintin
En Bernard Quintin moet die boodschap eveneens ter harte nemen.
De minister van Binnenlandse Zaken mag zich niet beperken tot het reageren op elke nieuwe schietpartij. 57 schietpartijen in zeven maanden, dat is te veel. En na de schoten op een commissariaat in Anderlecht, gevolgd door een nieuwe schietpartij in Brussel op zaterdagavond waarbij een persoon gewond raakte, verwacht de bevolking meer dan veroordelingen. Bernard Quintin moet vaker het terrein opzoeken. Een minister van Binnenlandse Zaken moet voor de bevolking ook als dusdanig herkenbaar zijn. Hij moet spreken over veiligheid, openbare orde, de strijd tegen drugshandelaars, steun aan de politie en vastberadenheid tegenover criminelen. We moeten hem horen, we moeten hem zien, we moeten voelen dat hij handelt. In Frankrijk begrepen ministers van Binnenlandse Zaken als Nicolas Sarkozy en Manuel Valls iets essentieels: wanneer mensen zich onveilig voelen, willen ze hun politieke verantwoordelijken de problemen bij naam horen noemen en concrete antwoorden horen aankondigen. Bernard Quintin heeft de rol van voormalig diplomaat misschien nog niet volledig ingeruild voor die van huidig minister van Binnenlandse Zaken.
Uiteraard zal dit probleem niet in enkele weken zijn opgelost. De drugshandel is een machtige, gestructureerde en internationale criminele economie. Maar net daarom moet een regering zich een heel duidelijk politiek doel stellen: het aantal schietpartijen in Brussel terugdringen. Niet morgen. Niet over tien jaar. Maar nu.
Daarvoor zijn meer politieagenten nodig, een justitie die de dossiers kan volgen, een versterkte strijd tegen drugnetwerken, doeltreffende controles, betere inlichtingen, meer samenwerking tussen de verschillende diensten en een veel zichtbaardere aanwezigheid van de overheid in wijken waar drugshandelaars hun eigen regels hebben willen opleggen.
De Brusselse bevolking verwacht geen wonderen van de ene dag op de andere, maar wil wel snel een merkbaar verschil zien.