‘Regime change’ roepen is makkelijk; een militair-religieus conglomeraat ontmantelen… minder
Wie snel de val van het Iraanse regime verwacht nu het land onophoudelijk wordt gebombardeerd, onderschat een fundamentele realiteit. De VS en de EU mogen de Iraanse Revolutionaire Garde (IRGC) dan al op de lijst van terroristische organisaties hebben gezet, de IRGC is uitgegroeid tot de machtigste speler in alle belangrijke economische sectoren in Iran. Echte regimewisseling vereist niet enkel een politieke ommekeer, maar de ontmanteling van een uitgekiend parallelsysteem dat volgens verschillende bronnen nu al meer dan de helft van het bruto binnenlands product controleert.
Gepubliceerd door Dominique Dewitte
• Bijgewerkt op
Samenvatting van het artikel
Regimewisseling in Iran is meer dan het vervangen van politieke leiders: ze vereist de ontmanteling van een diep verankerd militair-religieus netwerk rond de Revolutionaire Garde en de bonyads, dat een groot deel van de economie controleert. Zolang die economische machtsstructuur intact blijft, blijven oppositie, sancties en zelfs militaire druk waarschijnlijk beperkt tot veranderingen aan de oppervlakte.
De oppositie
Reza Pahlavi en Maryam Rajavi zijn vandaag de twee meest geloofwaardige oppositiefiguren. Pahlavi is de voormalige kroonprins van Iran, als zoon van de in 1979 afgezette sjah, en woont al decennia in de VS. Rajavi woont in Frankrijk en is voorzitter van de National Council of Resistance of Iran (NCRI), een soort parlement in ballingschap. Beiden mogen dan al concrete plannen hebben voor zo’n regimewissel, geen van hen heeft op dit moment reële macht binnen Iran. Hun geloofwaardigheid zal de komende weken afhangen van massale straatsteun, het vermijden van een regelrechte burgeroorlog, maar vooral van de steun (lees: de bereidheid tot overlopen) van de huidige militaire structuur.
De bonyads
Het was ayatollah Khomeini die na de revolutie van 1979 de bezittingen van de oude elite via twee kanalen herverdeelde. Een deel ging naar ministeries onder de toenmalige premier Bazargan. Het andere, politiek gevoeligste deel, werd ondergebracht in zogenaamde bonyads. Dat zijn parastatale, religieuze stichtingen die formeel buiten iedere parlementaire controle vallen en rechtstreeks onder de Opperste Leider staan.
Zo ontstonden giganten als de Mostazafan Stichting en de Imam Reza Shrine Stichting. Ze werden initieel als instrumenten van sociale rechtvaardigheid voor de armen voorgesteld, maar groeiden al snel uit tot enorme, ondoorzichtige conglomeraten met belangen in mijnbouw, landbouw, bouw, handel en vastgoed.
De Revolutionaire Garde als economische speler
Naast de bonyads groeide de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) uit tot de tweede pijler van het systeem. Die werd opgericht als ideologisch alternatief voor het gewone leger. Maar tijdens de Iran-Irakoorlog (1980-1988) groeide de IRGC uit van een revolutionaire militie tot een professionele strijdmacht met eigen logistieke en technische middelen.
In de wederopbouwperiode na de oorlog verwierf de IRGC, via haar ingenieurspoot Khatam al-Anbiya, grote staatscontracten, aanvankelijk in de infrastructuur, later in energie, telecommunicatie, havens en het bankwezen. Dat gebeurde niet meer via openbare aanbestedingen, maar via directe toewijzingen.
Onder de naar verluidt zondagnacht bij een aanslag omgekomen president Ahmadinejad (2005-2013) werd dankzij de herinterpretatie van de Grondwet de juridische basis gelegd om tachtig procent van de aandelen in sleutelsectoren over te dragen aan “openbare, niet-gouvernementele entiteiten”. In de praktijk betekende dit: de IRGC en de bonyads. Twee derde van Ahmadinejads eerste kabinet bestond uit voormalige IRGC- en Basij-officieren. Zijn opvolger Rouhani zou die evolutie later omschrijven als de overdracht van staatsbezit van “een ongewapende overheid” naar “een overheid met wapens”.
Sancties als onbedoeld cadeau
Om criminele regimes onder druk te zetten, leggen westerse landen hun graag economische sancties op. Maar die hebben in Iran, net als in Rusland en Noord-Korea trouwens, het bestaande systeem versterkt in plaats van verzwakt. Toen multinationals als Shell en Total Iran verlieten, erfde Khatam al-Anbiya hun posities in de ontwikkeling van de Iraanse olievelden, zonder biedprocedure. Toen Iran van het SWIFT-systeem werd afgesneden, ontwikkelden aan de IRGC gelinkte netwerken eigen routes om olie te verschepen via China, de Verenigde Arabische Emiraten en Turkije. Die kanalen kwamen uiteraard vooral de IRGC zelf ten goede.
De sociale impact is groot. Volgens berekeningen van de Wereldbank is sprake van een “verloren decennium”. Tussen 2011 en 2020 kromp het bbp per capita gemiddeld met 0,6% per jaar. Het aandeel onder de armoedegrens steeg van 20% naar 28,1%.
Terwijl gewone Iraniërs verarmen, beschikt het militair-bonyadcomplex over voorkeurstoegang tot buitenlandse valuta aan gesubsidieerde koersen, een privilege dat bepalend is in een land waar de rial in vier decennia met een factor twintigduizend in waarde is gedaald. Die voorkeur is geen technisch falen, maar een politiek instrument: insiders krijgen toegang tot dollars; de overigen betalen de marktprijs.
De politieke bescherming van het systeem
Het systeem houdt zichzelf in stand via de Grondwettelijke Raad, die de kandidaten voor verkiezingen screent en routinematig uitsluit. Hervormingsgezinde presidenten als Khatami en Rouhani probeerden de bonyads aan privatisering te onderwerpen, maar slaagden er hooguit in een handvol van de honderden aanverwante ondernemingen te verkopen. Verder dan dat raakten ze nooit, omdat de Grondwettelijke Raad die pogingen stelselmatig blokkeerde. Toen in 2021 Ebrahim Raisi tot president werd verkozen, was de volledige versmelting van politieke macht en revolutionaire economie een feit. Raisi was niet voor niets zelf een voormalig hoofd van de Imam Reza Foundation. Zijn opvolger Pezeshkian voerde hervormingen door, maar had minder invloed op het systeem dan zijn voorgangers.
Buitenlandse politiek als verlengstuk van economisch belang
De belangen van het complex reiken verder dan Irans grenzen. De interventie in Syrië vanaf het begin van de Syrische burgeroorlog diende niet alleen een geopolitiek doel: het complex positioneerde zich als uitvoerder van wederopbouwcontracten, naar eigen zeggen gemodelleerd op het Amerikaanse Marshallplan. Verder is er de “Look East”-strategie: de in 2021 gesloten 25-jarige samenwerkingsovereenkomst met China en, meer recent, het vorig jaar aangekondigde strategisch partnerschap met Rusland. Dit zijn zeker niet uitsluitend ideologische keuzes, maar ook economische levenslijnen die de IRGC en bonyads helpen de effecten van westerse sancties te neutraliseren.
Volkswoede en internationale druk volstaan niet
De protesten van 2022 en de bloedige neerslag van nieuwe demonstraties begin 2026 tonen aan dat de legitimiteitscrisis van de Islamitische Republiek reëel is en diep zit. Toch volstaan volkswoede en internationale druk niet om een systeem ten val te brengen. De Islamitische machthebbers hebben hun overlevingskansen in de economische structuur van het land gebetonneerd.
Regimewisseling in Iran is makkelijk te roepen, maar betekent in de praktijk de ontmanteling van een militair-religieus conglomeraat dat volgens het Clingendael Instituut nu meer dan vijftig procent van de economie beheert, zijn eigen buitenlandse valutaroutes heeft, zijn eigen bouwimperium runt en zijn eigen kandidaten in de politiek plaatst. Zolang die structuur intact blijft, zijn politieke veranderingen aan de oppervlakte weinig meer dan een luchtspiegeling. Of luchtbombardementen die structuur kunnen vernietigen, is twijfelachtig.