Rellen in Brussel: het permanente proces tegen de politie wordt ongepast (édito)
Na het geweld tijdens een nieuwe betoging in Brussel verschoof het debat al snel naar beschuldigingen aan het adres van de politie. Zonder de noodzaak van democratische controle op de ordediensten te ontkennen, moet toch een evidente waarheid worden benadrukt: de eerste verantwoordelijken voor de chaos zijn de relschoppers.
Gepubliceerd door Nicolas de Pape
Samenvatting van het artikel
Het debat over politieoptreden is legitiem, maar mag niet verhullen dat de eerste verantwoordelijkheid voor de recente rellen in Brussel bij de relschoppers ligt.
Bij elke grote betoging die in Brussel uit de hand loopt, lijkt hetzelfde scenario zich te herhalen. Groepen relschoppers richten vernielingen aan in het straatbeeld, steken voertuigen in brand, slaan vitrines in, gaan de confrontatie aan met de ordediensten en storten bepaalde wijken in chaos. Vervolgens verschuift een deel van het politieke debat al snel naar de kwestie van “structureel politiegeweld”.
Dat die discussie kan bestaan in een rechtsstaat, zou niemand mogen betwisten. Elke politie-interventie moet aan strikte regels voldoen. Eventuele misbruiken moeten onderzocht, gedocumenteerd en indien nodig bestraft kunnen worden. Dat is zelfs een van de essentiële waarborgen van een democratie die die naam waardig is.
De prioriteiten niet langer omkeren
Maar er komt een moment waarop men de volgorde van verantwoordelijkheden niet langer kan omdraaien.
Wanneer we beelden zien van vernielingen, branden, uitgebrande auto's, kapotte fietsen, achtervolgde brandweerwagens, geblokkeerde taxi’s, ingeslagen vitrines, vernielde bushokjes en straten die op een slagveld lijken, waarom lijken sommige verkozenen van de PTB, Ecolo of PS (niet de Brusselse burgemeester Philippe Close, dat moet worden benadrukt, en evenmin de voorzitter van Vooruit, Conner Rousseau) zich eerst zorgen te maken over het aanklagen van de politie, in plaats van de relschoppers duidelijk, ondubbelzinnig en prioritair te veroordelen?
De feiten spreken nochtans voor zich. Het waren niet de politieagenten die voertuigen in brand staken. Het waren niet de politieagenten die publieke en private eigendommen vernielden. Het waren niet de politieagenten die angst zaaiden bij handelaars, buurtbewoners en voorbijgangers. De politie trad op om de orde te herstellen, inwoners te beschermen, handelszaken te beveiligen en vreedzame betogers hun democratisch recht te laten uitoefenen zonder gegijzeld te worden door onruststokers.
Legitieme vraag naar transparantie
Uiteraard kan men discussiëren over de manier waarop een ordehandhavingsoperatie wordt uitgevoerd en transparantie eisen. Maar deze gebeurtenissen systematisch herleiden tot een proces tegen de politie betekent dat men de essentie uit het oog verliest: gewelddadige individuen maken gebruik van sociale mobilisaties om te vernielen, brand te stichten, te intimideren en de confrontatie aan te gaan met het openbaar gezag.
Natuurlijk staan politieagenten niet boven de wet. Maar ze mogen ook niet, uit ideologische reflex, de permanente beklaagden worden van geweldsscènes die ze niet hebben veroorzaakt.
In deze omstandigheden zou het minste zijn om het werk van de ordediensten te erkennen. Mannen en vrouwen bevinden zich in de frontlinie, soms onder een regen van projectielen, soms uitgescholden, soms gewond, om te voorkomen dat de situatie verder escaleert. Ze vervullen een moeilijke, ondankbare en risicovolle taak in een klimaat waarin elke handeling wordt geanalyseerd, becommentarieerd en soms veroordeeld nog voor ze volledig is begrepen.
Politieagenten staan niet boven de wet. Maar ze mogen ook niet uit ideologische reflex de permanente verdachten worden van geweld waarvan ze niet aan de oorsprong liggen. De ordediensten als hoofdverdachten aanwijzen terwijl Brussel opnieuw met vandalisme werd geconfronteerd, getuigt van een verontrustende verwarring van verantwoordelijkheden.
Een rampzalig imago
Deze vorm van toegeeflijkheid, of op zijn minst ongemak tegenover relschoppers, is des te onbegrijpelijker omdat de gevolgen veel verder reiken dan de betoging zelf. Het beeld dat deze gebeurtenissen uitstralen, is rampzalig.
In de eerste plaats voor Brussel. De hoofdstad van Europa verschijnt opnieuw als een stad die er niet in slaagt een sociale mobilisatie ordelijk te laten verlopen zonder te vervallen in stedelijk geweld. Beelden van rookpluimen, vernielingen en confrontaties circuleren op sociale media en in de media. Ze voeden een gevoel van onveiligheid dat de aantrekkelijkheid van de stad, het vertrouwen van de inwoners en de geloofwaardigheid van de autoriteiten schaadt.
Maar ook voor het onderwijs en de zaak die de leerkrachten verdedigen. De eisen van de onderwijssector verdienen een ernstig debat. Ze raken aan fundamentele kwesties: het lerarentekort, de arbeidsomstandigheden, de toekomst van het onderwijs, de onderwijskwaliteit en de plaats van de school in onze samenleving. Maar wanneer de actualiteit wordt gedomineerd door brandstichtingen en vernielingen, verdwijnt de boodschap van de vreedzame betogers naar de achtergrond.
De eerste verliezers: de echte betogers
In plaats van over de inhoud te spreken, onthoudt de publieke opinie enkel de beelden van chaos. De eerste slachtoffers van deze ontsporingen zijn vaak degenen die te goeder trouw kwamen betogen.
Het is tijd dat het publieke debat opnieuw wat maatgevoel en gezond verstand vindt. Ja, het recht om te betogen is fundamenteel. Ja, de politie moet verantwoording afleggen wanneer bepaald gedrag vragen oproept. Ja, een democratie vereist controle op het gebruik van openbare macht. Maar nee, dat mag niet dienen om geweld door relschoppers te relativeren. Nee, dat mag er niet toe leiden dat men degenen die vernielen op hetzelfde niveau plaatst als degenen die proberen te beschermen.
De prioriteit zou moeten zijn om ons zorgen te maken over de herhaling van deze rellen en om degenen te steunen die de bevolking en publieke eigendommen beschermen, niet om hen systematisch als schuldigen aan te wijzen.
Stop met politie-bashing
De anti-politiebashing moet stoppen. Een samenleving die haar ordediensten voortdurend ontmoedigt, wantrouwt en in diskrediet brengt, loopt het risico een van de pijlers van de rechtsstaat te verzwakken.
Tegenover relschoppers, brandstichters en oproerkraaiers zouden politici aan de zijde moeten staan van de burgers die slachtoffer worden van dit geweld, van de handelaars wier zaak wordt bedreigd, van de buurtbewoners die de chaos ondergaan en van de politieagenten die proberen er een einde aan te maken. Niet aan de kant van degenen die de straten van Brussel in een strijdtoneel veranderen.
Vandaag meer dan ooit is het tijd om de politie te steunen, zonder de democratische waakzaamheid op te geven, maar ook zonder toegeeflijkheid tegenover relschoppers.