Rik Torfs: "Waarom zoveel universitairen links stemmen? Omdat zij nooit zelf de rekening moeten betalen"
Zijn universitairen links omdat ze slimmer zijn dan de rest van de bevolking? Kerkjurist en voormalig rector van de KU Leuven Rik Torfs gelooft daar niet veel van. In een opiniestuk in La Libre zoekt hij de oorzaak niet in een hoger IQ, maar in de beschermde wereld waarin professoren leven en werken.
Gepubliceerd door Peter Backx
Samenvatting van het artikel
Niet intelligentie maar sociale status, financiële zekerheid en een eigen academische cultuur verklaren volgens Torfs veel van de politieke voorkeuren aan universiteiten.
Zijn analyse vertrekt van een observatie. Historische universiteitssteden als Heidelberg, Oxford, Leiden, Leuven, Freiburg en Cambridge stemmen volgens Torfs opvallend vaker groen en links dan de regio's waarin ze liggen. Bovendien lijkt die tendens de voorbije jaren alleen maar sterker te zijn geworden. Dat brengt hem bij een eenvoudige maar prikkelende vraag: waarom stemmen zoveel universitairen progressief?
De mythe van de slimme linkse stemmer
De voormalige rector spaart zijn eigen omgeving niet. Niet zonder ironie reageert hij op universitairen die hun progressieve stemgedrag zelf verklaren vanuit hun vermeende intelligentie. Volgens die redenering stemmen hogeropgeleiden vaker links omdat zij slimmer zouden zijn dan de rest van de bevolking. "Het eenvoudigste antwoord wordt door de universitairen zelf gegeven, vooral door de minst scherpzinnigen onder hen, want ook die bestaan", schrijft hij.
Torfs vindt die verklaring te gemakkelijk. "Er bestaan ook intelligente zelfstandige loodgieters, en die stemmen doorgaans een stuk rechtser", merkt hij op. De verklaring zoekt hij daarom elders. Niet in een hoger IQ, maar in de specifieke leefwereld waarin veel onderzoekers en professoren zich bewegen.
Een eigen wereld met eigen regels
De universiteit is de voorbije decennia steeds meer een aparte wereld geworden. "Het academische milieu is op veel vlakken een niche geworden", schrijft Torfs. Wetenschappers werken binnen een omgeving met eigen normen, gewoonten en verwachtingen. Daardoor staan velen verder van de rest van de samenleving dan vroeger.
Vooral binnen de humane en sociale wetenschappen overheerst vaak een progressieve kijk op mens en maatschappij. "Binnen dat academische milieu neigen de heersende normen en waarden eerder naar groen-links", schrijft Torfs.
Dat betekent niet dat iedereen dezelfde mening heeft. Toch ontstaat er een intellectueel klimaat waarin bepaalde opvattingen als vanzelfsprekend worden beschouwd, terwijl afwijkende standpunten vaker op argwaan stuiten. Wie tegen de dominante stroom ingaat, moet vaak meer weerstand overwinnen.
Daarnaast veranderde ook de status van de academische wereld. Universitairen vormen niet langer een kleine elite. Hun aantal is de voorbije decennia sterk toegenomen. Daardoor bevinden veel professoren en onderzoekers zich vandaag lager op de maatschappelijke ladder dan universitairen een halve eeuw geleden.
Een leven zonder financiële kopzorgen
Torfs ziet ook een verband tussen de levensomstandigheden van universitairen en hun stemgedrag. Professoren hebben doorgaans "een stabiele baan" en hoeven zich zelden zorgen te maken over faillissementen, klantenverlies of economische schokken. "Kortom, universiteitsprofessoren hebben geen financiële zorgen", schrijft hij.
Ze behoren evenwel niet tot de hoogste inkomensgroepen. "Universiteitsprofessoren verdienen ook niet te veel geld", merkt hij op. Topartsen, succesvolle advocaten en ondernemers verdienen vaak aanzienlijk meer. Veel academici leven comfortabel, maar zonder de financiële risico's en verantwoordelijkheden die gepaard gaan met het leiden van een onderneming.
Dat beïnvloedt ook hun kijk op economische vraagstukken. Belastingen, herverdeling en overheidsuitgaven voelen anders aan wanneer je inkomen grotendeels vastligt en niet rechtstreeks afhangt van de economische conjunctuur. "Daardoor hoeven ze zich ook minder zorgen te maken over de economische gevolgen van hun ideeën", schrijft Torfs.
Wie betaalt uiteindelijk de rekening?
Daarin ziet Torfs ook een verklaring voor bepaalde politieke keuzes. Onderzoekers kunnen zich volledig toeleggen op hun vakgebied, zonder zich voortdurend te moeten bekommeren om de economische gevolgen van hun ideeën. Daardoor verdwijnt het bredere economische plaatje soms naar de achtergrond. "Sommige professoren, hoe uitstekend ook binnen hun discipline, beschikken over een beperkte economische kennis", schrijft hij.
Daardoor ontstaat gemakkelijker steun voor ambitieuze sociale of ecologische projecten, zonder dat men zich al te veel zorgen hoeft te maken over de economische gevolgen ervan. Zo'n plannen kosten geld. Maar waar moet dat vandaan komen? "Dat geld moet ergens worden gevonden, namelijk bij mensen die net iets rijker zijn dan de universitairen zelf", schrijft Torfs.
Wat als Marx toch gelijk had?
Voor zijn analyse haalt Torfs een opmerkelijke bondgenoot aan: Karl Marx. De overtuigingen van mensen worden volgens Marx mee gevormd door hun leefwereld. De sociale positie van mensen beïnvloedt hoe zij naar economie, ongelijkheid en overheidsbeleid kijken.
"Dat de materiële omstandigheden en de sociale positie van mensen hun ideeën mee vormgeven, had Karl Marx al scherp gezien", schrijft Torfs. Meteen volgt een prikkelende vraag: "Waarom zou dat voor universitairen anders zijn?"
Zijn antwoord blijft voorzichtig: misschien zeggen hun politieke keuzes meer over hun veranderde maatschappelijke status en sociale positie dan over hun intellectuele reflectie en de resultaten van hun onderzoek.