“Trump Derangement Syndrome”: wanneer politiek de taal van de psychiatrie overneemt
Aanvankelijk een polemische formule, is het “Trump Derangement Syndrome” geleidelijk uitgegroeid tot een centraal retorisch instrument in het Amerikaanse politieke debat. Achter deze uitdrukking schuilt een diepere verschuiving: de neiging om oppositie niet langer als foutief, maar als irrationeel, zelfs pathologisch, te bestempelen.
Gepubliceerd door Harrison du Bus
Samenvatting van het artikel
Het “Trump Derangement Syndrome” toont hoe politieke kritiek steeds vaker als irrationeel wordt weggezet, wat de polarisatie in het publieke debat verder verdiept.
De term is intussen vertrouwd geworden in het Amerikaanse publieke debat. Het “Trump Derangement Syndrome” of TDS verwijst, volgens zijn voorstanders, naar een “haat tegenover president Trump die zo intens is dat ze het beoordelingsvermogen aantast”. Maar voorbij de formulering tekent zich vooral een verandering in het politieke taalgebruik af: kritiek wordt niet enkel weerlegd, maar gedelegitimeerd.
Oorspronkelijk kadert het concept in een oudere traditie. Reeds in 2003 sprak de psychiater en columnist Charles Krauthammer over een “Bush derangement syndrome”, gedefinieerd als “een acute vorm van paranoia bij verder normale individuen”. Het mechanisme is hetzelfde: politieke oppositie herleiden tot een symptoom van waanzin.
Om verder te lezen, abonneer u of gebruik een krediet.
Al abonnee? Inloggen