Wankelt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)?
Terwijl diplomaten in Genève verder onderhandelen over een nieuw pandemieakkoord, brokkelt het vertrouwen in de Wereldgezondheidsorganisatie verder af. De omstreden aanpak van de coronacrisis, de grote Chinese invloed en het negeren van succesvolle modellen zoals die van Taiwan en Zweden roepen steeds luidere vragen op over de toekomst van de WHO. Analyse van Pieter Cleppe, hoofdredacteur van Brussels Report.
Gepubliceerd door Externe Bijdrage
Samenvatting van het artikel
Terwijl diplomaten in Genève verder onderhandelen over een nieuw pandemieakkoord, staat het vertrouwen in de WHO op een dieptepunt. Kritiek op de coronabeleid, Chinese invloed, donorafhankelijkheid en het negeren van succesvolle alternatieven zoals Taiwan en Zweden leiden tot groeiende oproepen voor een grondige hervorming.
Verleden jaar sloten de partnerlanden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een zogenaamd 'pandemieakkoord' over de aanpak van toekomstige pandemieën, zoals COVID-19. De bedoeling hiervan is om beter samen te werken om pandemieën te voorkomen, maar om er ook beter op te kunnen reageren. Op dit moment zijn diplomaten opnieuw samen in Genève om verder over de uitwerking hiervan te onderhandelen.
Het vertrouwen in de WHO is gezakt tussen 2022 en 2025, volgens een peiling in een reeks landen, zoals onder meer Japan en Indonesië. Dat mag niet verbazen. De aanpak van de Coronacrisis door de WHO moet men op zijn minst bedenkelijk noemen.
In de epidemieplannen van Westerse landen was een lockdown niet voorzien als beleidsinstrument. In 2020 werd dit soort van beleid in de meeste landen opgelegd in navolging van het Chinese voorbeeld. Italië was het eerste Westerse land dat op die manier handelde.
Nochtans was er toen reeds een alternatieve aanpak voor Covid zichtbaar, namelijk die van Taiwan, dat geen lockdown instelde, hoewel het zich net naast bevindt, maar een beleid van forse grenscontroles en quarantaine had.
De reden daarvoor moet men niet zo ver zoeken. De WHO was het cruciale internationale beleidsforum voor gezondheidsbeleid, en daar is de Taiwanese aanpak een taboe, wat ook komt door de grote Chinese invloed op de organisatie.
Taiwan en Zweden
Dat Taiwan eind december 2019 al waarschuwde dat er een nieuwe ziekte was opgedoken in de Chinese stad Wuhan had daarom weinig effect. De WHO bleef beweren dat er niet veel aan de hand was, in lijn met de Chinese regering, wat volgens Le Monde het gevolg was van Chinees gelobby om geen wereldwijde pandemie uit te roepen. De vice-president van Taiwan, Chen Chien-jen, zelf epidemioloog, klaagde in 2020 dat op de website van de WHO “geen van de door de [door] ons land gedeelde informatie wordt geplaatst”.
Ook de Belgische microbioloog Herman Goossens, die optrad als coördinator van het EU-platform voor epidemieën, betreurde in mei 2020 de aanpak om de aanbevelingen van de WHO op te volgen. Hij stelde:
“We hadden naar andere landen moeten kijken. Naar Taiwan of Zuid-Korea. Landen die het virus onder controle hebben gehouden, dankzij een beleid van onmiddellijk en gericht testen, in combinatie met doorgedreven contactonderzoek en de isolatie van besmette personen. Taiwan plaatste begin januari al besmette personen systematisch in quarantaine. Maar het is geen lid van de WHO en stond niet op onze radar. Wanneer we hier over enkele maanden op terugkijken, zullen we verzuchten: jongens toch, we hadden die lockdown kunnen voorkomen.”
Of die lockdowns wel zo’n goed idee waren, mag sterk worden betwijfeld. In een studie uit 2023 voor de Amerikaanse denktank Cato Institute maakt de Zweedse commentator Johan Norberg duidelijk dat de lockdowns nutteloos waren. Hij vergeleek landen met elkaar op basis van oversterftecijfers, omdat Covid -statistieken notoir onbetrouwbaar waren. Zijn eigen land, Zweden, dat net als Taiwan nooit een lockdown instelde, komt er dan het best uit.
Norberg stelde toen:
Het sterfteoverschot van Zweden tijdens de drie pandemiejaren 2020-2022 ten opzichte van de drie voorgaande jaren was 4,4%. Opmerkelijk genoeg is dit het laagste sterftecijfer van alle Europese landen, inclusief onze Scandinavische buren.
Met andere woorden: Zweden ondervond in 2020, 2021 en 2022 niet enkel minder economische en mentale schade dan alle andere Europese landen, die wel een lockdown instelden. Het land was ook beter beschermd tegen het Coronavirus. Het mag allicht niet verwonderen dat deze bijzonder genante bevinding weinig aan bod komt in de media, gezien de overweldigende steun bij media en politici voor lockdownbeleid. Of dit komt door de “groepsimmuniteit” die de Zweden opbouwden is een plausibele hypothese, maar voer voor meer diepgaand onderzoek. Misschien stierven uiteindelijk evenveel Zweden aan Covid, maar stierven er minder als gevolg van gebrekkige medische zorg als gevolg van de lockdowns.
Feit is in elk geval dat de WHO lockdowns verkoos boven de Zweedse aanpak, en feit is dat er minder oversterfte was in Zweden in 2020, 2021 en 2022 dan in de rest van Europa.
Hoe de WHO te hervormen?
Een groep deskundigen wil het vertrouwen in de WHO herstellen. De groep International Health Reform Project (IHRP) werd naar eigen zeggen “opgericht als reactie op een groeiende vertrouwenscrisis in het internationale bestuur op het gebied van volksgezondheid. Hoewel deze crisis tijdens de Covid-19-pandemie duidelijk zichtbaar werd, gaan de wortels ervan verder terug dan 2020 en weerspiegelen ze diepere structurele en ethische problemen binnen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de bredere mondiale gezondheidsarchitectuur.”
IHRP bestaat uit een panel van tien onafhankelijke deskundigen uit zes werelddelen met directe ervaring bij de WHO, de VN en op het gebied van mondiaal gezondheidsbeleid. De groep publiceerde onlangs een beleidsnota waarin de uitgangspunten voor een ingrijpende structurele hervorming van het mondiale gezondheidsbestuur worden uiteengezet.
Volgens de deskundigen zijn de voornaamste problemen van de WHO “het negeren van de eigen missie, concentratie van macht, afhankelijkheid van fondsen die met voorwaarden komen, een voorkeur voor technologische oplossingen, starre Verdragsrechtelijke beperkingen en een gebrekkige verantwoording.”
Wat dat laatste betreft, doelt men op hoe het geld wordt besteed. In 2017 kwam The Associated Press in het bezit van interne documenten waaruit bleek dat de WHO jaarlijks ongeveer 200 miljoen dollar aan reiskosten uitgeeft, wat meer is dan wat de organisatie uitgeeft aan de bestrijding van aids, tuberculose en malaria samen. Het is maar een van de vele schandalen die de organisatie al jarenlang teisteren.
Ook afhankelijkheid van fondsen die met voorwaarden komen wordt door de deskundigen als groot probleem gezien. Dan denkt men natuurlijk onmiddellijk aan de Bill & Melinda Gates Foundation, die tussen 2010 en 2023 via vrijwillige bijdragen 9,5% bijdroegen tot de inkomsten van de WHO. Op die manier was het de op één na grootste financier van de internationale instelling.
Bijna 80 procent van het budget van de WHO is tegenwoordig afkomstig uit vrijwillige bijdragen, die door donoren voor specifieke doeleinden zijn gereserveerd, zeker nu de Verenigde Staten uit de WHO zijn vertrokken, op aangeven van President Donald Trump. Uit een onderzoek uit 2025 van Queen Mary University of London bleek dat één stichting alleen al tussen 2000 en 2024 5,5 miljard dollar aan de WHO heeft bijgedragen, bestemd voor door haarzelf gekozen prioriteiten op het gebied van infectieziekten.
Het is positief dat private donors zich inzetten voor gezondheid, maar hun grote invloed op het globale forum voor gezondheidsbeleid als gevolg hiervan mag toch vragen oproepen.
Gebrek aan transparantie
Voorts klagen de IHRP – deskundigen ook “institutionele bemoeizucht”, wat gepaard zou gaan met “een gebrek aan transparantie, belangenconflicten en een discrepantie tussen mondiale gezondheidsprioriteiten en de werkelijke ziektelast, met name in landen met een laag of gemiddeld inkomen.” Het opdringen van beleid aan armere landen is alvast niet in lijn met de frequente oproepen tijdens WHO-besprekingen om gezondheidsbeleid te “dekoloniseren.” IHRP pleit dan ook voor “subsidiariteit”, waarbij “beslissingen worden genomen op het laagste niveau waarop effectief kan worden gehandeld.”
De deskundigen besluiten: “Internationale samenwerking ontleent haar legitimiteit aan vrijwillige deelname van staten, die verzwakt wanneer de zeggenschap verschuift naar gecentraliseerde technocratische organen.”
De WHO neemt deze kritiek beter ernstig. Velen gaan ervan uit dat internationale intergouvernementele organisaties een lange „levensduur“ hebben. In werkelijkheid is echter meer dan een derde van de internationale intergouvernementele organisaties die sinds 1815 zijn opgericht, verdwenen, zo blijkt uit een onderzoek. Een van de bevindingen daaruit is dat staten er vaak de voorkeur aan geven nieuwe organisaties op te richten, in plaats van bestaande te hervormen. Indien de WHO de broodnodige hervormingen niet doorvoert, dreigt het de tak af te zagen waarop het zelf zit. Misschien volgen andere landen dan wel het voorbeeld van de V.S.