Voetbal: van volkssport tot sport voor de rijken? (vrije tribune)
In deze opiniebijdrage stelt Marcela Gori zich vragen bij de explosieve stijging van de ticketprijzen voor voetbalwedstrijden en wat die evolutie zegt over onze tijd. Tussen commerciële logica en het volkskarakter van de sport verdedigt ze het idee dat voetbal geen entertainment mag worden dat enkel nog toegankelijk is voor de meest vermogenden.
Gepubliceerd door Externe Bijdrage
Samenvatting van het artikel
Volgens Marcela Gori dreigen de almaar hogere ticketprijzen voetbal te veranderen van een sport voor iedereen in een luxeproduct voor de happy few.
Hebt u het gezien? De duurste tickets voor de finale van het WK, dat onlangs van start ging, werden op het officiële doorverkoopplatform van de FIFA aangeboden voor 2,3 miljoen dollar (iets minder dan 2 miljoen euro), terwijl de gemiddelde prijs rond de 50.000 dollar lag. Ja, u leest het goed.
Die aanbieding, waar het Amerikaanse persagentschap Associated Press op wees, is ronduit absurd. En tegelijk roept ze vragen op. Absurd, omdat het moeilijk voor te stellen is dat iemand zoveel geld neertelt voor 90 minuten voetbal, zelfs als het gaat om de finale van de populairste sportcompetitie ter wereld. Maar ze roept ook vragen op, omdat ze iets vertelt over de wereld waarin we vandaag leven.
Winst maken is legitiem. Meer nog, het wordt zelfs sterk aangemoedigd wanneer u een eigen economische activiteit uitbouwt. Maar hoe kan men niet geschokt zijn door zo’n bedrag wanneer men met beide voeten in de werkelijkheid staat?
Voetbal vertelt een collectief verhaal
Laten we eerlijk zijn: wat choqueert, is niet alleen het bedrag zelf. Het is vooral de vergelijking die we spontaan maken met onze eigen leefwereld. 50.000 dollar is voor de meeste mensen meer dan een volledig jaarloon. Het is meer dan de prijs van een nieuwe wagen of zelfs het eigen kapitaal dat nodig is voor de aankoop van een woning.
De vraag naar de waarde van dingen is niet nieuw. Al in de 18e eeuw stelde de Schotse filosoof en econoom Adam Smith zich vragen bij wat hij het “water-diamantparadox” noemde. Waarom is een diamant meer waard dan een glas water, terwijl het ene essentieel is voor het leven en het andere overbodig? Zijn antwoord was eenvoudig: de markt beloont schaarste meer dan nut. Een prijs vertelt dus niet wat belangrijk is voor de samenleving. Hij vertelt wat mensen bereid zijn te betalen om toegang te krijgen tot iets zeldzaams.
Voetbal was nooit bedoeld als een vorm van ontspanning voor een elite. Vanaf zijn ontstaan in de 19e eeuw werd de sport snel omarmd door arbeiders in industriesteden. Fabrieken richtten hun eigen ploegen op, wijken kregen hun clubs en mijnen organiseerden competities.
Wie de geschiedenis van het voetbal kent, weet dat het geen toeval is dat zoveel grote Europese clubs hun wortels hebben in de arbeiderswereld: de dokwerkers van Liverpool, de mijnwerkers van het Ruhrgebied, de arbeiders uit Noord-Engeland en de werknemers uit de Belgische industriegebieden. Denk aan Standard de Liège, dat de trots van de Luikse metaalarbeiders belichaamde, aan Royal Charleroi Sporting Club en de mijnwerkers van het Pays Noir, aan RWDM en de arbeiders van Molenbeek. Of aan Royale Union Saint-Gilloise, dat Brusselaars uit alle wijken samenbrengt.
Voetbal is altijd een van de zeldzame plaatsen geweest waar sociale verschillen gedurende negentig minuten verdwijnen. Waar de arbeider, de handelaar en de arts naast elkaar staan op de tribune, dezelfde liederen zingen, dezelfde emoties beleven en hetzelfde gevoel van verbondenheid delen.
De droom van de underdog
Voetbal staat voor de hoop dat de kleine de grote kan verslaan — denk maar aan de Belgische overwinning tegen Brazilië acht jaar geleden. Het vertegenwoordigt ook de droom van het kind dat kampioen kan worden. Namen als Cristiano Ronaldo, Diego Maradona, Zinedine Zidane en David Beckham komen allemaal uit bescheiden milieus.
Voetbal is de symbolische revanche van mensen die weinig bezitten, maar die tijdens een wedstrijd alles kunnen winnen.
Misschien is dat ook waarom zulke absurde ticketprijzen zoveel reacties uitlokken. We hebben het hier niet over een jacht of een luxehorloge. We hebben het over een sport die nog altijd elke week door miljoenen kinderen wordt gespeeld op een gemeentelijk veldje, met twee jassen als doelpalen.
Daarom voelt het onfatsoenlijk aan wanneer tickets plots 5.000, 50.000 of zelfs een miljoen dollar kosten. Want dan gaat het niet langer alleen over geld, maar over een diepere vraag: hoe bescherm je een gemeenschappelijk erfgoed wanneer het uitgroeit tot een wereldwijde industrie?
Want als voetbal terecht inkomsten mag genereren voor de FIFA, dan mag het nooit de supporters uit de tribunes verdrijven die deze sport groot hebben gemaakt.