AI belooft productiviteitswinst: hype, hoop of harde cijfers?
De voorbije weken verschenen verschillende academische analyses over de meetbare impact van artificiële intelligentie (AI) op productiviteit in 2025. De belangrijkste vraag daarbij is uiteraard of AI vorig jaar tot jobverlies heeft geleid. Een nieuwe Europese studie geeft reden tot voorzichtig optimisme, al blijven de grote vragen onbeantwoord. Want als AI echt een productiviteitsrevolutie ontketent, waarom voelen zoveel werknemers daar dan nog zo weinig van? En als de revolutie al bezig is, wie betaalt dan de prijs?
Gepubliceerd door Dominique Dewitte
• Bijgewerkt op
Samenvatting van het artikel
AI zou volgens sommige Amerikaanse cijfers al tot hogere productiviteit en minder jobs leiden, maar die interpretatie is methodologisch betwist en mogelijk vertekend. Een grootschalige Europese studie vindt daarentegen dat AI de arbeidsproductiviteit met gemiddeld 4 procent verhoogt zonder dat de werkgelegenheid daalt, vooral wanneer bedrijven tegelijk investeren in opleiding en digitale infrastructuur. Of AI op langere termijn alsnog banen zal kosten, blijft onzeker.
Stel je voor dat een bedrijf 20 mensen in dienst heeft. Na de invoering van AI-software, verzetten die mensen een jaar later even veel werk, maar met slechts 19 mensen. Goed nieuws of slecht nieuws? Voor de economie is het in principe goed nieuws: meer output met minder inspanning is exact wat economen "productiviteitsgroei" noemen. De twintigste werknemer is minder enthousiast.
Het Amerikaanse optimisme van Brynjolfsson
De meest uitgesproken optimist is Erik Brynjolfsson, een econoom aan de Stanford universiteit in Californië. Hij wijst in de Financial Times op opvallende Amerikaanse cijfers: daar verdwenen in 2025 ruim 403.000 jobs, terwijl het bruto binnenlands product (bbp), of alles wat een land in een jaar produceert aan goederen en diensten, stevig overeind bleef, met een groei van 3,7 procent in het vierde kwartaal. Meer output, minder mensen: voor Brynjolfsson het bewijs dat de productiviteitsgolf is begonnen.
Hij verdedigt zijn thesis met de zogenaamde “J-curve”. Die wil dat nieuwe technologieën eerst een terugval in de gemeten productiviteit veroorzaken, gewoon omdat bedrijven eerst moeten investeren in reorganisatie en werknemers moeten omscholen. Daarna stijgt de productiviteit sterk. Brynjolfsson, die ook 30 jaar lang aan het MIT doceerde, denkt dat de VS nu op de stijgende lijn van die curve zit.
Appels met peren vergelijken
Toch zijn er stevige redenen om zijn enthousiasme te temperen. Martha Gimbel, die het Budget Lab leidt aan de Yale University, ziet drie fundamentele methodologische problemen. Ten eerste zijn productiviteitsdata notoir rommelig en gevoelig voor herzieningen. Ten tweede vergelijkt Brynjolfsson herziene werkgelegenheidscijfers met nóg niet herziene bbp-cijfers, wat volgens haar neerkomt op appels met peren vergelijken. Niet voor niets riep de statistische foutmarge (tot 70 %) van die herziene arbeidscijfers vorige maand vragen op over de betrouwbaarheid van die gegevens.
Ten slotte zijn de Amerikaanse groeicijfers van 2025 vertekend door uitzonderlijke handelsdynamieken, onder meer als gevolg van een importgolf vóór tariefverhogingen. Economen verstaan onder "kern-bbp" namelijk de onderliggende binnenlandse vraag, zonder handelsverstoringen. Als Gimbel die cijfers tegen het licht houdt, is het verschil tussen output en werkgelegenheid al een stuk minder spectaculair.
Gimbel heeft nog een andere alternatieve verklaring voor de schijnbaar hogere productiviteit: de verandering van de samenstelling van de beroepsbevolking. Het strengere immigratiebeleid van de regering Trump heeft veel lager betaalde werknemers doen vertrekken. Omdat productiviteit deels wordt gemeten als gemiddelde output per werknemer, stijgt dat gemiddelde automatisch wanneer de lagere lonen uit de statistieken verdwijnen, ook al is er niemand écht productiever geworden.
De Europese studie : een serieuzer bewijs
Terwijl het Amerikaanse debat worstelt met indirecte macro-economische indicatoren, komt een nieuwe Europese studie tot veel concreter conclusies. Onderzoekers van de Bank for International Settlements (BIS) en de Europese Investeringsbank (EIB) analyseerden meer dan 12.000 Europese bedrijven en probeerden oorzaak en gevolg te meten, niet enkel correlatie, van wat AI-adoptie doet met arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid. Hun bevindingen zijn opmerkelijk en staan haaks op Brynjolfssons conclusie : in de EU verhoogt AI-adoptie de arbeidsproductiviteit gemiddeld met 4 procent, zonder dat de werkgelegenheid daalt.
Er zijn goede redenen om deze studie serieuzer te nemen dan de Amerikaanse macro-analyses. De onderzoekers lossen namelijk een klassiek probleem op. Ze gebruiken een zogenaamde instrumentele variabele. Dat is een geavanceerde statistische techniek die helpt om toeval en selectie-effecten uit te sluiten. Daarmee wordt bedoeld dat bedrijven die AI adopteren doorgaans sowieso al innovatiever en performanter zijn. Als zo'n bedrijf daarna goed presteert, weet je niet of dat door de AI komt of gewoon omdat het al een sterk bedrijf was.
Om dat te omzeilen koppelen ze elk Europees bedrijf aan een vergelijkbaar Amerikaans spiegelbeeld, een bedrijf gelijkaardig in sector, grootte en strategie. Hoe snel dat Amerikaanse bedrijf AI invoerde, wordt bepaald door Amerikaanse marktomstandigheden, niet door de kwaliteit van het Europese bedrijf. Dat maken ze tot hun meetlat. Zo isoleren ze het effect van AI van de vraag of het bedrijf simpelweg al beter was.
Ten tweede is de steekproef indrukwekkend groot: meer dan 12.000 bedrijven verspreid over de hele EU, van Zweden tot Roemenië.
Tenslotte vinden de onderzoekers een mechanisme dat de resultaten geloofwaardig maakt: AI functioneert als een complementaire productie-input. Werknemers worden sneller en beslissen beter, maar worden niet vervangen. Dat heet met een moeilijk woord “kapitaalverdieping”. Het betekent dat men investeert in beter materiaal zonder dat men op mensen bespaart.
De onderzoekers vonden wel een aantal nuances. Grote en middelgrote bedrijven profiteren aanzienlijk meer dan kleine. En bedrijven die investeren in opleiding van personeel en digitale infrastructuur halen veel meer uit AI dan bedrijven die de software simpelweg installeren. Die combinatie van technologie en mensen blijkt cruciaal.
Wat we nog niet weten
De Europese studie meet kortetermijneffecten. De onderzoekers erkennen ook dat op langere termijn, naarmate AI-systemen krachtiger worden, de effecten op werkgelegenheid wél negatief kunnen worden.
Grote enquêtes onder Europese en Amerikaanse bedrijven concludeerden eerder al dat meer dan 80 procent van de bedrijven, de afgelopen drie jaar, nauwelijks enige invloed van AI heeft gezien op productiviteit of werkgelegenheid. Tegelijkertijd verwacht diezelfde groep de komende drie jaar wél grote veranderingen. Een opvallend verschil dat suggereert dat de eigenlijke omwenteling nog moet komen.
Er is ook een interessant psychologisch verschil: leidinggevenden en managers verwachten dat AI jobs zal kosten, terwijl werknemers zelf eerder verwachten dat er nieuwe functies bij zullen komen. Wie er gelijk heeft, weten we simpelweg nog niet.
Voorzichtig optimisme
Het eerlijkste antwoord op de vraag of AI al een productiviteitsrevolutie heeft veroorzaakt, is: misschien, maar we weten het nog niet zeker. De Europese studie geeft de meest methodologisch betrouwbare aanwijzing dat er wél iets aan de hand is en dat het niet per definitie ten koste gaat van jobs. Wat wel duidelijk is: de bedrijven die het meest profiteren, zijn niet de bedrijven die AI het snelst aanschaffen. Het zijn de bedrijven die het meest investeren in hun mensen