Iedereen recht op verhoogde tegemoetkoming? Het systeem barst uit zijn voegen
Wat ooit een gerichte bescherming was voor financieel kwetsbare patiënten, dreigt zijn oorspronkelijke doel voorbij te schieten. Vandaag hebben ongeveer 2,4 miljoen Belgen recht op een verhoogde tegemoetkoming in de gezondheidszorg. Dat is bijna één op vijf inwoners. Een statuut voor de meest kwetsbaren barst zo stilaan uit zijn voegen, terwijl er tegelijk plannen op tafel liggen om het systeem nog verder uit te breiden. Een sociaal vangnet dat voor steeds meer mensen geldt, dreigt uiteindelijk zijn draagvlak te verliezen.
Gepubliceerd door Peter Backx
• Bijgewerkt op
Samenvatting van het artikel
- Het aantal Belgen met een verhoogde tegemoetkoming blijft sterk groeien en nadert inmiddels één op vijf inwoners.
- Wanneer een sociaal vangnet steeds breder wordt toegepast, dreigt het zijn focus en uiteindelijk ook zijn maatschappelijk draagvlak te verliezen.
Van vangnet naar brede regeling
De verhoogde tegemoetkoming bestaat al sinds 1963. Oorspronkelijk was ze bedoeld voor een duidelijk afgebakende groep: weduwen, invaliden, langdurig zieken en andere kwetsbare burgers. Door opeenvolgende uitbreidingen en automatische toekenningen groeide het systeem echter sterk. Vandaag vertegenwoordigt de groep rechthebbenden een aanzienlijk deel van de zorguitgaven. Uitgaande van een gemiddelde jaarlijkse zorgkost van 3.000 tot 4.000 euro per patiënt gaat het om een totale uitgavengroep in de grootteorde van 7 tot 10 miljard euro per jaar.
Dat betekent niet dat de verhoogde tegemoetkoming zelf zoveel kost. Mensen met dat statuut zijn gemiddeld ouder en hebben vaker chronische aandoeningen. Maar het cijfer illustreert wel hoe groot de groep is geworden binnen het zorgsysteem.
Solidariteit blijft een kernwaarde van de Belgische gezondheidszorg. Maar solidariteit werkt alleen wanneer ze gericht blijft op mensen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben. Wanneer bijna één op de vijf inwoners onder een beschermingsstatuut valt, rijst onvermijdelijk de vraag of het systeem nog voldoende scherp is afgebakend.
Inkomen zegt niet alles
Een van de belangrijkste problemen ligt in de manier waarop het statuut wordt toegekend. Vandaag gebeurt dat in belangrijke mate op basis van inkomen. Maar inkomen zegt niet altijd alles over financiële kwetsbaarheid. Iemand kan een relatief laag belastbaar inkomen hebben en tegelijk beschikken over vastgoed, spaargeld of andere vermogenscomponenten.
Dat geldt bijvoorbeeld voor bepaalde gepensioneerden die het statuut krijgen op basis van een laag pensioen, terwijl hun vermogen niet systematisch wordt onderzocht. Wanneer vermogen buiten beeld blijft, kan een systeem dat bedoeld is voor kwetsbare groepen onbedoeld ook terechtkomen bij mensen die het minder nodig hebben. Dat ondergraaft niet alleen de efficiëntie van het beleid, maar ook het maatschappelijk draagvlak voor solidariteit.
Werken moet blijven lonen
Het debat over de verhoogde tegemoetkoming raakt bovendien aan een bredere economische vraag: hoeveel prikkels zijn er nog om te werken? België telt een groot aantal mensen op arbeidsleeftijd die niet werken en ook geen werk zoeken. Tegelijk zijn veel sociale voordelen gekoppeld aan een uitkeringsstatuut.
Daardoor kan een paradox ontstaan: wie niet werkt, heeft recht op een reeks sociale voordelen, terwijl wie een laagbetaalde job aanneemt sommige van die voordelen verliest. In Europese statistieken behoort België tot de landen waar het financiële verschil tussen werken en niet werken relatief klein is. Dat heeft te maken met een combinatie van hoge belastingen op arbeid en een uitgebreid systeem van sociale voordelen. Wanneer zulke voordelen sterk gekoppeld zijn aan een statuut buiten de arbeidsmarkt, kan dat onbedoeld de prikkel om opnieuw aan het werk te gaan verkleinen.
Nog meer rechthebbenden?
Opmerkelijk genoeg wordt tegelijk nagedacht over een verdere uitbreiding van sociale bescherming in de gezondheidszorg. Er liggen voorstellen op tafel om een nieuw statuut van “beschermde patiënt” te onderzoeken, gebaseerd op het statuut van chronische aandoening. België telt ongeveer 1,8 miljoen chronisch zieken, maar slechts een deel van hen heeft vandaag een verhoogde tegemoetkoming. Als ook die groep onder een beschermingsregeling zou vallen, kan het aantal beschermde patiënten oplopen tot ongeveer 3,4 miljoen Belgen. Dat zou betekenen dat bijna één op drie inwoners onder een beschermingsstatuut valt.
Niet iedereen draagt dezelfde lasten
Voor artsen heeft de groei van het statuut duidelijke financiële gevolgen. In bepaalde gevallen mogen zij geen ereloonsupplementen aanrekenen aan patiënten met verhoogde tegemoetkoming. Ziekenfondsen blijven daarentegen hun volledige lidgeld innen, ook bij diezelfde patiënten. De lasten van het beleid worden dus niet door iedereen gelijk verdeeld.
Daar komt nog bij dat het remgeld voor een consultatie bij de huisarts voor deze groep vaak beperkt is tot één euro, een bedrag dat in de praktijk bovendien geregeld wordt kwijtgescholden. Als de financiële drempel vrijwel volledig verdwijnt, zet dat de deur open voor overconsumptie van zorg en mogelijk misbruik van het systeem. Ook dat is een realiteit waar zorgverleners dagelijks mee geconfronteerd worden.
De kernvraag
Het debat over de verhoogde tegemoetkoming gaat uiteindelijk niet alleen over gezondheidszorg. Het raakt aan een fundamentele vraag over de Belgische welvaartsstaat: hoe breed kan solidariteit worden zonder het systeem zelf te verzwakken? Want solidariteit blijft alleen overeind wanneer ze duidelijk gericht is op wie bescherming echt nodig heeft. Alleen zo kan ook het maatschappelijk draagvlak voor het systeem behouden blijven.