Door zelfstandigen te viseren ontwijkt Vandenbroucke het kernprobleem van de verhoogde tegemoetkoming
De hervorming van de verhoogde tegemoetkoming die minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke vandaag op tafel legt, moet het systeem gerichter maken. Wie het financieel niet nodig heeft, zou eruit moeten vallen. Tegelijk kiest hij in zijn communicatie voor een framing van rijke ondernemers en zelfstandigen die via dividenden, vastgoed of vennootschappen toegang krijgen tot het statuut. Daardoor blijven de structurele groei van het systeem en de rol van de ziekenfondsen buiten beeld.
Gepubliceerd door Peter Backx
• Bijgewerkt op
Samenvatting van het artikel
Vandenbroucke wil de verhoogde tegemoetkoming gerichter maken door vermogen en inkomsten beter te controleren, maar legt daarbij de nadruk op een beperkte groep van ondernemers en zelfstandigen.
De timing van het voorstel is opvallend. Eerder deze week pleitte N-VA voor ingrepen om de verhoogde tegemoetkoming in te perken en de automatische toekenning terug te schroeven, met het oog op aanzienlijke besparingen. In dat licht positioneert Vandenbroucke zich duidelijk anders: niet door het systeem te verkleinen, maar door het gerichter te maken. Tegelijk vermijdt hij zo een rechtstreekse discussie over de omvang van de regeling zelf.
Strenger op inkomen én vermogen
In de eerste plaats draait de hervorming die hij op tafel legt rond één centrale ingreep: niet alleen inkomen, maar ook vermogen en alle vormen van inkomsten moeten mee in rekening worden gebracht. Vandaag vallen die deels buiten beeld, waardoor mensen met een laag officieel inkomen, maar aanzienlijke middelen, toch recht kunnen hebben op de verhoogde tegemoetkoming.
Daarom wil Vandenbroucke roerend en onroerend vermogen laten meetellen, net als dividenden, meerwaarden en inkomsten via vennootschappen. Bovendien moeten de controles grotendeels automatisch verlopen via databanken, zodat de administratieve last beperkt blijft.
De framing van ondernemers
Daarnaast legt de minister in zijn communicatie sterk de nadruk op specifieke profielen. Zo verwijst hij naar beleggers met hoge dividenden, eigenaars van meerdere woningen en zelfstandigen die via een vennootschap vermogen opbouwen terwijl hun persoonlijk inkomen laag blijft.
Die framing van zelfstandigen en ondernemers suggereert dat zij een belangrijke bron van scheeftrekkingen zijn binnen het systeem. Nochtans spreken cijfers dat beeld tegen. Slechts 2,4 procent van de rechthebbenden in het systeem van verhoogde tegemoetkoming zijn actieve zelfstandigen, zo blijkt uit gegevens van het RIZIV. Dat geeft aan dat het probleem niet bij een grote groep ondernemers ligt.
Eén op vijf in het systeem
Tegelijkertijd zit de echte verschuiving in de omvang van het systeem. Vandaag heeft ongeveer 20 procent van de bevolking recht op de verhoogde tegemoetkoming, terwijl ongeveer 10 procent onder de armoededrempel leeft. Met andere woorden: het systeem reikt veel verder dan de oorspronkelijke doelgroep.
Wat ooit bedoeld was als een gericht vangnet voor kwetsbare groepen, is zo geëvolueerd naar een regeling die een veel bredere groep omvat. Daardoor rijzen er vragen over de afbakening en het doel van het systeem.
Automatische toekenning als motor
Bovendien is die groei geen toeval. De automatische toekenning speelt daarin een centrale rol. Wie recht heeft op bepaalde sociale statuten, krijgt vaak zonder aanvraag ook de verhoogde tegemoetkoming. Enerzijds maakt dat de toegang eenvoudig en laagdrempelig. Anderzijds zorgt het voor een gestage uitbreiding van het aantal rechthebbenden.
Op dat punt blijft het voorstel van Vandenbroucke echter opvallend stil. Hij wil de automatische toekenning behouden en verfijnen via digitalisering, maar niet fundamenteel inperken.
Ziekenfondsen buiten schot
Ten slotte blijft ook de rol van de ziekenfondsen grotendeels buiten beeld. Zij staan mee aan de poort van het systeem en spelen een actieve rol in de uitbreiding ervan. Mensen met een verhoogde tegemoetkoming betalen nauwelijks remgeld en krijgen bijkomende voordelen zoals sociale tarieven voor energie en telecom.
Tegelijk hebben ziekenfondsen er alle belang bij om dat statuut zo ruim mogelijk toe te kennen, terwijl de kost bij de overheid ligt. Daarnaast circuleren binnen het RIZIV plannen om het systeem verder uit te breiden, onder meer richting chronisch zieken, wat het aantal rechthebbenden nog aanzienlijk kan doen toenemen.
De voorstellen van de minister pakken dus wel degelijk reële blinde vlekken aan en maken de toekenning op papier rechtvaardiger. Toch verschuift de focus naar uitzonderingen en misbruik, terwijl de structurele groei van het systeem buiten beeld blijft. Daardoor blijft de vraag waarom één op vijf Belgen onder een beschermingsstatuut valt onbeantwoord.