Andy Pieters (N-VA): “Mensen jarenlang een uitkering geven zonder begeleiding helpt hen niet vooruit.”
Hij begon als tiener die mails stuurde naar lokale partijen om hun standpunten te vergelijken. Vandaag zit Andy Pieters in het Vlaams Parlement, in de Senaat en in het partijbestuur. Tussenin: tien jaar Jong N-VA, een zitje in het partijbestuur, kabinetten van Geert Bourgeois en Zuhal Demir en vijf intense jaren als kabinetschef. “Ik had nooit een uitgewerkt carrièreplan, maar als je voelt dat je ergens echt kan wegen op beleid, dan moet je springen.”
Gepubliceerd door Vanille Dujardin
• Bijgewerkt op
Samenvatting van het artikel
Andy Pieters (N-VA) pleit voor structurele hervormingen in Brussel, kritisch klimaatbeleid en budgettaire discipline.
Eerste deel van het interview.
Waarom de N-VA?
Andy Pieters: Wat mij in het begin aantrok, was het disruptieve karakter van de partij. Mensen met een eigen stijl en persoonlijkheden die durven schuren. Jan Peumans, Zuhal Demir, Theo Francken, Bart De Wever… Het zijn allemaal heel verschillende figuren, maar allemaal met een duidelijke ruggengraat. Dat rebelse zat er sterk in, zeker toen we nog volledig in de oppositie zaten. Dan kan je je natuurlijk meer permitteren. In een coalitie moet je als grootste partij vaker kansen grijpen om te zwijgen. Maar wat mij inhoudelijk vooral overtuigde, is dat wij een ongebonden gemeenschapspartij zijn. We geloven in individuele vrijheid en verantwoordelijkheid. Daar zitten raakvlakken met het liberalisme, maar tegelijk vinden we dat een gemeenschap solidair moet zijn en dat er duidelijke spelregels gelden voor iedereen. Dat evenwicht zit voor mij het gezondst bij de N-VA. Bovendien staan we los van zuilen.
Is die vrijheid er intern nog altijd?
Andy Pieters: Ik vind van wel. Als parlementslid krijg je ruimte. Natuurlijk, als je een partijstandpunt wil bijsturen, moet je dat op de juiste manier doen. Je kan zeggen dat je iets anders ziet, maar dat verandert niet zomaar de officiële lijn. Dat is logisch. Op federaal niveau doen we vandaag moeilijke dingen. Politici delen graag geld uit, maar geld afnemen is nooit populair. Denk aan het beperken van automatische indexstijgingen. Dat is niet plezant, maar wel noodzakelijk. Wat mij opvalt, is dat er vandaag meer besef is bij de mensen dan tijdens de regering-Michel. Toen was er enorm veel protest tegen hervormingen. Achteraf bekeken: als we toen al hadden kunnen doen wat nu gebeurt, zou het land er financieel veel beter voorstaan. De staatsschuld is te hoog. Dat mensen daar vandaag wel mee bezig zijn, is nieuw. Vroeger was dat geen thema. Nu voelen mensen dat het niet houdbaar is. Maar dan moet je natuurlijk ook tonen dat het verbetert. Anders verlies je het draagvlak.
Sommige partijen zeggen dat er niet bespaard hoeft te worden in pensioenen of sociale zekerheid. Klopt dat?
Andy Pieters: Er wordt vaak gezegd dat alles betaalbaar is. Maar dat is te gemakkelijk. Toen Zuhal federaal bevoegd was voor personen met een handicap, hebben wij hun uitkeringen pas richting de armoedegrens opgetrokken. Dat was niet onder socialistische staatssecretarissen gebeurd. Dan moet je je toch de vraag stellen: wie is hier sociaal? En ook: hoe sociaal ben je als je mensen jarenlang in een uitkering laat zitten zonder perspectief? In Vlaanderen zien we dat 28 procent van de langdurig werklozen kampt met complexe problematieken, waaronder verslaving. Die mensen jarenlang een uitkering geven zonder begeleiding, dat helpt hen niet vooruit. Sociaal beleid moet mensen sterker maken, niet afhankelijk houden. Dat betekent niet dat je blind moet snoeien. We moeten opletten wat we doen. Neem de mantelzorgers: toen bleek dat zij ongepland hard geraakt werden, hebben we dat bijgestuurd. En zonder grote interne strijd. Dat toont net dat de partij haar sociale reflex niet kwijt is. Als over zoiets een strijd moet worden gevoerd intern, dan ben je als partij niet goed bezig.
Welke thema’s houden u ’s nachts wakker?
Andy Pieters: Twee grote dossiers: klimaatbeleid en water. In 2016 organiseerden we met Jong N-VA een groot milieucongres. Wij hebben toen het begrip “eco-realisme” geïntroduceerd. We wilden weg van wat wij het “watermeloenverhaal” noemden: groen aan de buitenkant, maar binnenin een socialistische agenda. Wij zijn altijd voor innovatie geweest. Kernenergie is proper. Groei en CO₂-reductie kunnen samengaan, en dat is in Europa ook jarenlang gelukt. Maar ik heb vijf jaar lang gezegd: het tempo van de Green Deal ligt veel te hoog. Je kan niet blijven versnellen zonder economische schade. Toen was dat heiligschennis. Vandaag zeggen dezelfde partijen dat Europa te ver gaat en dat het tempo herbekeken moet worden. Dat is frustrerend. Europa moet werken. Niet bezig zijn met de kromming van bananen of de CE-markering van een naaldhak. Wij zijn pro-Europees, maar kritisch waar nodig. Daarnaast vind ik dat Europa te veel gefocust heeft op CO₂-reductie en te weinig op adaptatie. Met 8 procent van de wereldwijde uitstoot gaan wij het klimaat niet alleen redden. Ondertussen blijven elders nieuwe gasvelden openen. Het klimaat verandert. Dus moeten we ons ook wapenen. Het Blue Deal-verhaal, ruimte voor water waardoor we overstromingen vermijden, is voor mij cruciaal. Dat verdient ook Europese middelen. Dus dat zijn wel twee dingen die ik heel belangrijk vind, naast het bewaken van de algemene lijn van de partij.