Het permanente tijdelijke: de stille ontsporing van het openbaar bestuur (opinie)
Dit is een carte blanche van Marcela Gori, vicevoorzitter MR van het OCMW van Anderlecht. Van het Justitiepaleis in Brussel tot eindeloze werven: het tijdelijke lijkt een blijvende bestuurswijze te zijn geworden, met gevolgen voor de geloofwaardigheid van het overheidsoptreden.
Gepubliceerd door Externe Bijdrage
Samenvatting van het artikel
— Tijdelijke maatregelen die blijvend worden, van het Justitiepaleis tot dagelijkse infrastructuur
— Een bestuurscultuur van uitstel en vervagende verantwoordelijkheid
— Een diepere crisis die het vertrouwen in instellingen en beleid ondermijnt
Hebt u het Justitiepaleis van Brussel al gezien, in Brussel? Niet alleen het gebouw zelf, indrukwekkend, bijna verpletterend, maar vooral wat er al jaren omheen staat: die stellingen die er slechts tijdelijk hadden moeten zijn, in afwachting van een renovatie, en die zich uiteindelijk duurzaam in het landschap hebben genesteld, tot het punt dat men hun tijdelijke karakter bijna vergeet. De situatie is zo absurd geworden dat men, na verloop van tijd, nieuwe structuren heeft moeten plaatsen om de oude te renoveren, alsof het tijdelijke zelf inmiddels permanent onderhoud vergt. Stellingen om andere stellingen te renoveren. Een Belgisch verhaal dat tot glimlachen zou kunnen aanzetten, ware het niet dat het geen alleenstaand geval is. In werkelijkheid zegt het iets diepers over onze manier van omgaan met publieke zaken. En het maakt me woedend. Want het gaat om ons erfgoed en om ons geld.
Van uitzondering tot algemene logica
Dit fenomeen gaat veel verder dan dit ene gebouw. Het volstaat om om ons heen te kijken om vast te stellen dat werven die voor enkele maanden werden aangekondigd, zich over jaren uitstrekken. Klassen die “tijdelijk” in prefablokalen worden ondergebracht, vormen het dagelijkse kader van een hele generatie leerlingen. Wegomleggingen die als overgangsmaatregel worden ingevoerd, hertekenen duurzaam de verkeersgewoonten, zonder dat men nog precies weet wanneer ze zijn opgehouden uitzonderlijk te zijn en de norm zijn geworden. Werken aan openbare gebouwen blijven onafgewerkt liggen en worden soms zelfs afgebroken, omdat de tijd de structuur te zwaar heeft aangetast. De Financietoren in Brussel is lange tijd het symbool geweest van een verouderd administratief gebouw. In de jaren 70 ingehuldigd, al in de jaren 80 achterhaald, werd hij uiteindelijk pas in 2008 opnieuw gerenoveerd en operationeel, na meer dan tien jaar werken.
Het tijdelijke wordt de norm. En niemand lijkt zich daar echt zorgen over te maken.
Een mechanisme van uitstel
Wat in al deze voorbeelden opvalt, is niet alleen de duur, maar het mechanisme. Niets wordt ooit echt als definitief beslist, en toch wordt alles het uiteindelijk wel. Maatregelen worden verlengd, aangepast, hernieuwd, vaak zonder dat er ooit een duidelijk beslissingsmoment wordt vastgelegd, alsof men liever de tijd zijn werk laat doen dan een keuze te moeten verantwoorden.
Het beroep op het tijdelijke wordt dan een vorm van gemakzucht. Het maakt het mogelijk om knopen niet door te hakken, beslissingen uit te stellen, en niet duidelijk te moeten uitleggen wat moet blijven en wat moet verdwijnen. Het installeert een beheer “van dag tot dag”, waarbij men zich aanpast in plaats van te beslissen, en waarbij de verantwoordelijkheid geleidelijk oplost in de tijd.
Een samenleving kan zich echter niet duurzaam structureren op een opeenstapeling van tijdelijke oplossingen. Anders wordt het een Mikadospel waarbij uiteindelijk alles instort. Ze veronderstelt duidelijke regels, gedragen beslissingen, nageleefde termijnen, en vooral het vermogen om te zeggen wat tijdelijk is en wat dat niet langer is. Zo niet houdt het tijdelijke op een uitzondering te zijn en wordt het een werkingswijze, met alle gevolgen van dien voor het verlies aan houvast en de geloofwaardigheid van het overheidsoptreden. Dat is onaanvaardbaar.
Een politiek symptoom
Het Justitiepaleis van Brussel is dus niet alleen een architecturaal symbool. Het is ook, op zijn manier, de weerspiegeling van een bredere verschuiving: die van een systeem dat moeite heeft om af te maken wat het begint en om volledig verantwoordelijkheid te nemen voor wat het invoert.
Men spreekt vaak over een samenleving die zoekende is, die houvast mist, die twijfelt aan haar instellingen. Maar misschien is het probleem eenvoudiger dan dat. Misschien komt die twijfel ook voort uit het feit dat niets nog echt definitief lijkt, dat beslissingen nooit helder worden genomen en dat verantwoordelijkheden nooit volledig worden gedragen.
Door voortdurend te verlengen, aan te passen en te temporiseren, installeert men uiteindelijk een vorm van georganiseerde onmacht, waarin iedereen zich aanpast aan veranderlijke regels, zonder nog echt te geloven dat die ooit duidelijk, stabiel en nageleefd zullen zijn.
En in die context houdt het tijdelijke op een oplossing te zijn. Het wordt een symptoom. En dat raakt niet alleen onze portemonnee, maar ook het vertrouwen dat wij stellen in degenen die ons besturen.