David Clarinval pleit voor een competitiever, industriëler en minder naïef Europa
In een sterk politiek getinte vrije tribune verdedigt vicepremier David Clarinval (MR) een duidelijke koers: Europa mag zich niet op zichzelf terugplooien, maar evenmin naïef blijven tegenover de wereldwijde concurrentie.
Gepubliceerd door Demetrio Scagliola
Samenvatting van het artikel
David Clarinval pleit voor een sterker en competitiever Europa dat open blijft voor de wereld, maar zich beter beschermt tegen oneerlijke concurrentie en tegelijk zijn industrie versterkt en interne regels vereenvoudigt.
Inhoud
- Een uitgesproken verdediging van vrijhandel
- Geen vrijhandel zonder spelregels
- China als symptoom van een onevenwichtige globalisering
- Zowel machteloosheid als protectionisme afwijzen
- Europa moet ook naar zijn eigen zwaktes kijken
- Klimaat, industrie en concurrentiekracht: geen de-industrialisering
- Handelsbescherming moet sneller
- Een Europese voorkeur die “gericht, duidelijk en echt werkbaar” is
- Een Europese visie, bekeken vanuit een open economie als België
- Produceren, industrialiseren, exporteren
- Welvaart als voorwaarde voor macht
Onder de titel “Voor een Europa dat openstaat voor de wereld en gewapend is tegen de concurrentie” ontvouwt David Clarinval een visie waarin vrijhandel, wederkerigheid, herindustrialisering, handelsbescherming en interne concurrentiekracht samenkomen.
Zijn betoog laat zich samenvatten in één formule: openheid blijft een kracht, zolang ze niet uitmondt in een zwakte. Of zoals hij het zelf schrijft: “Openheid zonder wederkerigheid wordt afhankelijkheid” en “concurrentie zonder eerlijke spelregels ontaardt in roofbouw”.
Een uitgesproken verdediging van vrijhandel
David Clarinval maakt meteen duidelijk waar hij voor staat: “Ik ben een uitgesproken voorstander van vrijhandel.” Volgens hem heeft commerciële openheid Europa in staat gesteld “rijker te worden, nieuwe afzetmarkten aan te boren, zijn innovatievermogen te versterken en burgers meer keuze te bieden”.
De minister plaatst die overtuiging in een bijna historische context. Hij herinnert eraan dat Athene, dat nauwelijks over grote natuurlijke rijkdommen beschikte, welvarend werd dankzij handel, de invoer van grondstoffen en de uitvoer van kennis en vakmanschap. De les die hij daaruit trekt, is duidelijk: “Een stad wordt niet sterker door alles zelf te willen produceren, maar door te ontwikkelen waar ze het beste in is en handel te drijven met de rest van de wereld.”
Met die verwijzing richt Clarinval zich duidelijk tegen de huidige protectionistische reflexen. Hij waarschuwt: “Grenzen sluiten, barrières opwerpen en zich terugplooien op zichzelf zullen Europa niet sterker maken.” De kern van zijn betoog is dan ook om het idee van openheid politiek overeind te houden, in een Europese context waarin dat principe onder druk staat door geopolitieke, energie- en industriële crisissen.
Geen vrijhandel zonder spelregels
De tekst is echter meer dan een klassiek liberaal pleidooi. David Clarinval benadrukt dat vrijhandel niet hetzelfde is als economische ontwapening. Volgens hem heeft openheid alleen positieve effecten wanneer ze gebaseerd is op “gemeenschappelijke regels, eerlijke concurrentie en wederzijdse openheid”.
Ook hier grijpt hij terug naar de geschiedenis, met een verwijzing naar Rome. De bijdrage van het Romeinse Rijk was volgens hem zowel institutioneel als economisch: wegen, havens, een relatief stabiele munt, gemeenschappelijk recht en contractuele zekerheid. Die historische omweg dient een zeer hedendaagse boodschap: handel draait niet alleen om het ontbreken van douanebarrières, maar vereist ook “infrastructuur, betrouwbare regels, gerespecteerde contracten, rechtszekerheid en een voldoende geïntegreerde economische ruimte”.
Met andere woorden: Clarinval verdedigt een vorm van gestructureerde vrijhandel, ondersteund door de overheid en ingebed in een stevig regelgevend kader. Die nuance is essentieel: hij pleit niet voor een absoluut laissez-fairebeleid, maar voor een open economie die zichzelf kan verdedigen en organiseren.
China als symptoom van een onevenwichtige globalisering
Het meest uitgesproken deel van de tekst gaat over China, dat wordt voorgesteld als “het duidelijkste voorbeeld van deze externe verstoringen”. Volgens de minister combineert Peking “een lage binnenlandse vraag, enorme industriële capaciteit en massale overheidssteun”, waardoor de concurrentieverhoudingen sterk worden verstoord.
Hij haalt cijfers aan om die asymmetrie te illustreren: “Tussen 2005 en 2024 ontvingen Chinese industriële ondernemingen gemiddeld drie tot acht keer meer overheidssteun dan hun concurrenten in OESO-landen.” Daarnaast wijst hij erop dat de Europese Unie in 2025 voor 199,4 miljard euro aan goederen naar China uitvoerde, maar voor 571,3 miljard euro invoerde. Dat bracht het Europese handelstekort met China op 371,9 miljard euro.
Volgens Clarinval zijn die onevenwichten niet louter abstract. “Achter die cijfers gaan druk op ons productieweefsel, uitgestelde investeringen, fabriekssluitingen, verzwakte toeleveranciers, verloren knowhow en, al te vaak, banen die verdwijnen.” Daarmee verbindt hij de geoeconomie rechtstreeks met de gevolgen voor de Europese industrie en werkgelegenheid.
Zowel machteloosheid als protectionisme afwijzen
Een van de rode draden in de tekst is de afwijzing van de keuze tussen commerciële naïviteit en protectionistische afsluiting. Europa, schrijft Clarinval, “mag op die praktijken niet reageren met machteloosheid”. Maar, voegt hij er meteen aan toe, het mag “evenmin in de tegenovergestelde reflex vervallen: een algemeen protectionisme dat een schild belooft, maar uiteindelijk vaak een kooi wordt”.
De minister wil de Europese handelsbeschermingsinstrumenten versterken, zonder te vervallen in autarkie. Het gaat er volgens hem niet om de Europese markt af te sluiten, maar te voorkomen dat die “de favoriete afzetmarkt wordt voor gesubsidieerde overcapaciteit” of “het speelterrein van industriële strategieën die geen wederkerigheid respecteren”.
Europa moet ook naar zijn eigen zwaktes kijken
Een van de interessantste passages is wellicht die waarin David Clarinval weigert om China als gemakkelijk excuus te gebruiken. “We mogen niet al onze mislukkingen verklaren door alleen de ‘Chinese schok’”, schrijft hij. En ook: “De oneerlijke concurrentie van bepaalde handelspartners mag nooit als excuus dienen voor onze eigen tekortkomingen.”
De minister noemt verschillende interne handicaps die productie in Europa bemoeilijken: te dure energie, onstabiele of buitensporige regelgeving, administratieve traagheid, te hoge arbeidskosten, een lage productiviteitsgroei en een interne markt die nog altijd niet volledig is afgewerkt.
De volgende zin vat zijn kritiek op het Europese economische klimaat samen: “Een onderneming die gevraagd wordt te investeren, terwijl tegelijk steeds meer obstakels worden opgeworpen die die investering onzeker maken, zal uiteindelijk elders investeren.”
Klimaat, industrie en concurrentiekracht: geen de-industrialisering
De klimaattransitie neemt een centrale plaats in de tekst in, maar opnieuw vanuit een industrieel perspectief. Clarinval erkent dat “de uitstoot terugdringen noodzakelijk is”, maar waarschuwt tegelijk voor een scenario waarin Europa zijn productiebasis verliest zonder dat dit daadwerkelijk voordelen oplevert voor het klimaat.
Zijn boodschap is duidelijk: “Onze fabrieken, investeringen en banen verplaatsen naar economieën met minder strenge normen zal de wereldwijde uitstoot niet verminderen: het zal Europa verzwakken zonder het klimaat te beschermen.” Hij besluit dan ook dat “decarbonisatie een industriële kracht van Europa moet worden, en niet de voorbode van zijn de-industrialisering”.
David Clarinval wijst erop dat het ETS – het Europese systeem voor de handel in emissierechten – een koolstofprijs oplegt aan Europese producenten en dat CBAM – de Europese heffing op de invoer van bepaalde koolstofintensieve goederen – ook de koolstofkost van ingevoerde producten in rekening wil brengen. Volgens hem moet een “ernstig klimaatbeleid” investeerders voorspelbaarheid bieden, koolstoflekkage voorkomen en tegelijk een sterke productiebasis in Europa behouden.
Daarmee sluit hij aan bij een visie die steeds vaker opduikt in het Europese debat: van klimaatbeleid een hefboom voor herindustrialisering maken in plaats van een factor die industrie wegduwt.
Handelsbescherming moet sneller
David Clarinval vindt dat de Europese Unie al over instrumenten beschikt om dumping, buitenlandse subsidies en marktverstorende praktijken aan te pakken, maar hij vindt de werking ervan onvoldoende. “De handelsbeschermingsinstrumenten moeten sneller, doeltreffender en beter afgestemd zijn op de economische realiteit”, schrijft hij.
Zijn diagnose is scherp: “Te vaak komen procedures pas tot een einde wanneer de schade al is aangericht.” Daarom vraagt hij de Commissie de middelen te geven om “verstoringen op te sporen, omzeiling van de regels te voorkomen en, wanneer dat nodig is, een hele sector te verdedigen in plaats van pas laattijdig vast te stellen dat bedrijven verdwijnen”.
De nadruk op snelheid is veelzeggend. Ze weerspiegelt een kritiek die vaak op de Europese Unie wordt geuit: Europa is sterk in het opstellen van regels, maar minder sterk in het tijdig reageren op industriële schokken. Clarinval sluit zich daarmee aan bij een stroming die een meer interventionistisch Europa voorstaat, maar wel gericht en pragmatisch.
Een Europese voorkeur die “gericht, duidelijk en echt werkbaar” is
De minister verwijst ook naar de Industrial Accelerator Act, een initiatief dat de industriële capaciteit en de decarbonisatie binnen de EU moet versnellen. Hij staat open voor mechanismen die Europese producten bevoordelen of voor “Made in Europe”-vereisten, met name “in strategische sectoren en cruciale waardeketens”.
Maar hij stelt daar een duidelijke voorwaarde aan: zulke mechanismen moeten “gericht, duidelijk en echt werkbaar” blijven. De waarschuwing is expliciet: “Een Europese voorkeur die extra formulieren, kosten en vertragingen met zich meebrengt, beschermt niets: ze zou de bedrijven die ze zegt te willen ondersteunen alleen maar verder verzwakken.”
Volgens hem heeft industriebeleid alleen zin als het de economische kwetsbaarheid daadwerkelijk vermindert, zonder uit te groeien tot een nieuwe bureaucratische machine. Ook hier richt zijn kritiek zich dus niet alleen op buitenlandse concurrentie, maar ook op overregulering binnen Europa.
Een Europese visie, bekeken vanuit een open economie als België
Clarinval benadrukt daarnaast dat geen enkele lidstaat deze uitdaging alleen kan aangaan. Waardeketens zijn Europees, legt hij uit, en de sluiting van een fabriek in Duitsland, Nederland of Italië heeft rechtstreeks gevolgen voor “Belgische leveranciers, onderaannemers, klanten en onderzoekscentra”.
Voor een economie als België is die onderlinge afhankelijkheid geen theoretische kwestie. De minister benadrukt dat “de economische belangen van België en die van Europa niet tegenover elkaar staan”. Integendeel: “Een open economie als de onze is rechtstreeks afhankelijk van het vermogen van het continent om een grote productie-, investerings- en innovatieruimte te blijven.”
Produceren, industrialiseren, exporteren
In zijn conclusie brengt Clarinval het debat terug naar de wereldwijde technologische concurrentie. Hij stelt vast dat de Verenigde Staten en China versnellen op het vlak van artificiële intelligentie, robotica, halfgeleiders, koolstofarme technologie, geavanceerde materialen en energie-infrastructuur.
Volgens hem ontbreekt het Europa niet aan “onderzoekers, ingenieurs, ondernemers of ideeën”, maar slaagt het er nog te weinig in “ontdekkingen om te zetten in producten, prototypes in fabrieken en innovaties in waardeketens”. Zijn boodschap is duidelijk: “Het volstaat niet langer om uit te vinden: we moeten produceren, industrialiseren en exporteren.”
Het uitgangspunt is helder: Europa moet opnieuw een productiemacht worden en niet alleen een ruimte van regels, onderzoek en consumptie.
Welvaart als voorwaarde voor macht
De conclusie van de tekst is uitgesproken. Europa, schrijft Clarinval, “moet weigeren met de handen op de rug gebonden te spelen terwijl anderen de kaarten uitdelen en de regels veranderen”. Dat betekent volgens hem nee zeggen tegen “oneerlijke concurrentie, strategische afhankelijkheden en bureaucratie die initiatief verstikt”, maar vooral ja tegen “industrie, investeringen, innovatie, risico en ondernemingsvrijheid”.
Hij pleit ook voor een herwaardering van het begrip rijkdom, in uitgesproken politieke bewoordingen: “Rijkdom creëren is geen beschamend doel: het is de voorwaarde voor onze sociale samenhang, onze klimaatambities, onze onafhankelijkheid en onze politieke vrijheid.”
De tekst eindigt hoopvol: “Europa moet opnieuw industrialiseren, sneller innoveren en meer durven. Zo kan het opnieuw aanknopen met welvaart, macht en, laten we het zeggen, grootheid.”
Kortom, David Clarinval verdedigt een Europa dat open blijft, maar minder naïef is; meer geïntegreerd, maar minder bureaucratisch; groener, maar ook productiever; en meer gericht op handel, maar tegelijk beter gewapend tegen oneerlijke concurrentie.
Zijn boodschap is duidelijk: Europese economische soevereiniteit komt er niet door ons af te sluiten of ons erbij neer te leggen, maar door een veeleisende combinatie van interne concurrentiekracht, externe wederkerigheid, industriebeleid en vereenvoudiging.