Spendeert België echt 2 procent van het bbp aan defensie?
Uit het laatste rapport van het Monitoringcomité blijkt dat er een kloof bestaat tussen de politieke doelstelling om 2 procent van het bbp aan defensie te besteden en de boekhoudkundige realiteit. Achter het regeringsgezinde communiqué woedt een discussie over welke uitgaven mogen meetellen voor het aan de NAVO beloofde streefcijfer.
Gepubliceerd door Harrison du Bus
Samenvatting van het artikel
Het Monitoringcomité merkt op dat de defensie-uitgaven volgens de functionele boekhoudkundige methode onder de grens van 2 procent van het bbp blijven. Dat staat in contrast met de regeringsverklaringen, die gebaseerd zijn op een andere definitie.
Het rapport van het Monitoringcomité, dat op 23 maart 2026 werd gepubliceerd, werkt de ramingen voor 2025 en 2026 bij en legt een duidelijke technische spanning bloot. Volgens de definitie die de regering en de NAVO hanteren, kan België defensie-uitgaven ten belope van 2 procent van het bbp voorleggen. Wordt echter de nationale functionele COFOG-classificatie toegepast, dan zakt dat cijfer ruim onder die drempel.
Hoe kan het dat een land een internationale verbintenis tegelijk wél en níét haalt? Het antwoord ligt in de samenstelling van de uitgaven die worden meegeteld en in technische correcties die een aanzienlijke impact hebben op de verhouding. In een afzonderlijke tabel zet het Monitoringcomité de twee benaderingen naast elkaar en toont het hoe ze tot uiteenlopende resultaten leiden.
Het spel met definities: NAVO versus COFOG
Waarover bestaat precies onenigheid? Het belangrijkste verschil zit tussen de uitgaven voor "defensie volgens de NAVO-definitie", die ook bepaalde externe inspanningen en aanvullende uitgaven omvat, en de functionele COFOG-classificatie, die wordt gebruikt in de nationale overheidsboekhouding. Volgens het Monitoringcomité bereiken de Belgische defensie-uitgaven volgens de NAVO-definitie in 2025 en 2026 de norm van 2 procent van het bbp. De COFOG-benadering raamt de defensie-uitgaven daarentegen op slechts 1,4 tot 1,9 procent, afhankelijk van het jaar.
Hoe komt dat verschil tot stand? Gaat het niet gewoon om een semantische discussie? Nee. Het verschil zit in concrete elementen, zoals de manier waarop bepaalde externe uitgaven en boekhoudkundige herclassificeringen worden meegerekend. Die aanpassingen veranderen de teller van de verhouding tussen de defensie-uitgaven en het bbp. Samen kunnen ze oplopen tot enkele honderden miljoenen euro's, genoeg om het eindcijfer te doen kantelen.
Rekenwerk met gevolgen voor de begroting
Het Monitoringcomité toont ook wat de budgettaire impact in de praktijk is. Voor 2026 werd het defensiebudget met 188 miljoen euro verhoogd om, rekening houdend met de externe uitgaven, de NAVO-norm van 2 procent te halen. Door de COFOG-correcties valt dat effect in de nationale boekhouding echter kleiner uit. Met andere woorden: de extra financiële inspanning is er wel degelijk, maar de manier waarop die boekhoudkundig wordt verwerkt, beïnvloedt de politieke interpretatie van de cijfers.
Op internationaal niveau publiceerde de NAVO eind maart 2026 een overzicht waaruit blijkt dat België tot de lidstaten behoort die voor 2025 de norm van 2 procent van het bbp halen. Tegelijk toont de vergelijking aan dat verschillende bondgenoten die drempel slechts nipt bereiken en dat de gehanteerde rekenmethode bepalend blijft voor de interpretatie van die cijfers. Wie bepaalt uiteindelijk welke cijfers gelden: de NAVO of de lidstaat?
Het politieke aspect en de concrete gevolgen
Ook binnen België leidt het verschil in boekhoudkundige verwerking tot politieke spanningen. Het ministerie van Financiën en het kabinet van de minister van Begroting benadrukken het belang van begrotingsdiscipline, terwijl het ministerie van Defensie de nadruk legt op de investeringen en operationele engagementen. Het Monitoringcomité maakt duidelijk dat het niet louter om een politieke discussie gaat: de gekozen rekenmethode heeft een rechtstreekse impact op de begroting en op de budgettaire ruimte voor andere uitgaven.
Wat betekent dat concreet voor de burger en voor Defensie? Om te beginnen wordt de communicatie over de defensie-inspanningen fragiel: de aankondiging dat de NAVO-norm van 2 procent is gehaald, maakt geen einde aan de discussie over de boekhoudkundige verwerking. Daarnaast kan de internationale geloofwaardigheid van het begrotingsbeleid onder druk komen te staan wanneer technische correcties de omvang van de inspanning kleiner doen lijken. Tot slot hangen ook de planning van militaire aankopen en industriële contracten af van budgettaire middelen waarvan de boekhoudkundige verwerking steeds nauwlettender wordt gevolgd.
Op de achtergrond blijft vooral een politieke vraag spelen: kiest men ervoor een symbolisch cijfer naar voren te schuiven om de bondgenoten gerust te stellen, of geeft men de voorkeur aan een strengere, maar transparantere boekhouding? Het Monitoringcomité kiest voor technische transparantie door beide benaderingen naast elkaar te presenteren. Welke lezing uiteindelijk politiek wordt gevolgd, blijft een open vraag.
Het rapport van 23 maart 2026 legt daarmee een eenvoudige, maar ongemakkelijke realiteit bloot: de aan de NAVO beloofde norm van 2 procent is tegelijk verdedigbaar én betwistbaar, afhankelijk van de gehanteerde boekhoudkundige regels. Het is een realiteit waarvoor beleidsmakers zowel in hun communicatie als in hun begrotingsbeleid verantwoordelijkheid zullen moeten nemen.