Koopkracht: financiële gemoedsrust bij Belgen blijft afnemen
Volgens NN heeft de financiële gemoedsrust van de Belgen het op één na laagste peil sinds 2020 bereikt. De bezorgdheid neemt vooral toe bij vrouwen, ambtenaren, niet-beroepsactieven en 50- tot 64-jarigen, tegen de achtergrond van hervormingen en de stijgende levensduurte.
Gepubliceerd door Demetrio Scagliola
Inhoud
- Vooral groepen die door de hervormingen worden getroffen, maken zich meer zorgen
- Financiële gemoedsrust bij niet-actieven onder de grens van 50 punten
- Slechts 10 procent van de 35- tot 49-jarigen vertrouwt erop dat de overheid hun toekomstig pensioen zal uitbetalen
- Inflatie en verwarmingskosten voeden de ongerustheid
- Toch blijft de financiële buffer op peil
Zijn de Belgen steeds banger om hun financiële situatie? De recentste Barometer van Financiële Gemoedsrust van verzekeraar NN wijst alvast op een duidelijke verslechtering van het gevoel van financiële zekerheid.
De index schommelde de voorbije jaren rond 60 op 100, maar is inmiddels gezakt tot 57,3 punten. Dat is een daling met bijna drie punten. Sinds de lancering van de barometer in 2020 zorgde alleen de energiecrisis van september 2022 voor nog meer financiële ongerustheid.
Nog opvallender: vandaag heeft 36 procent van de Belgen weinig financiële gemoedsrust, met een indexscore onder 50. In september 2024 gold dat nog voor slechts 27 procent.
De terugval doet zich voor op een moment waarop de federale regering verschillende hervormingen doorvoert die de inkomsten van bepaalde gezinnen rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen beïnvloeden.
Vooral groepen die door de hervormingen worden getroffen, maken zich meer zorgen
NN stelt vast dat de financiële gemoedsrust vooral sterk achteruitgaat bij verschillende groepen die mogelijk gevolgen ondervinden van de pensioen- en werkloosheidshervormingen of van de beperking van de indexering van de hoogste lonen en pensioenen.
Bij vrouwen daalde de index van 59 in september 2024 naar 54,7 vandaag. NN brengt dat onder meer in verband met de pensioenhervorming en de pensioenmalus, die vooral mensen met minder effectief gewerkte dagen kan treffen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij deeltijds werk of loopbaanonderbrekingen.
Volgens cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing waarnaar NN verwijst, zou 49 procent van de vrouwelijke werknemers met die pensioenmalus te maken kunnen krijgen, tegenover 22 procent van de mannen.
Ook bij ambtenaren is de achteruitgang aanzienlijk. Hun index voor financiële gemoedsrust daalde van 63,3 in september 2024 naar 57,7.
De verzekeraar wijst ook hier op de mogelijke impact van de pensioenhervorming en de beperking van de indexering van de hoogste lonen en pensioenen.
Financiële gemoedsrust bij niet-actieven onder de grens van 50 punten
De situatie is nog zorgwekkender bij niet-beroepsactieven. Hun index daalde van 56,4 in september 2024 naar amper 49,4. Dat is de laagste score van alle onderzochte categorieën.
Die evolutie valt samen met de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen. Volgens cijfers van de RVA waarop de barometer zich baseert, zouden de komende 18 maanden 194.000 mensen hun werkloosheidsuitkering verliezen.
Voor een deel van de betrokkenen is sparen bovendien niet langer de belangrijkste prioriteit. 44 procent zegt momenteel vooral te proberen de eindjes aan elkaar te knopen.
Ook bij de 50- tot 64-jarigen gaat de financiële gemoedsrust er fors op achteruit. Hun index daalde in zes maanden tijd van 59,5 naar 54,8.
Ook jongeren ontsnappen niet aan die tendens. Bij de 18- tot 34-jarigen zakte de financiële gemoedsrust van 61,8 in september 2024 naar 57,3 in september 2026.
Slechts 10 procent van de 35- tot 49-jarigen vertrouwt erop dat de overheid hun toekomstig pensioen zal uitbetalen
Gepensioneerden vormen een opvallende uitzondering. Hun index blijft relatief hoog, op 62,5.
Bij de generaties die de pensioenleeftijd nog moeten bereiken, blijkt het vertrouwen in het vermogen van de overheid om hun toekomstige pensioen te financieren echter bijzonder laag.
Bij de 50- tot 64-jarigen denkt nog slechts 21 procent dat de overheid in staat zal zijn hun pensioen uit te betalen. Een jaar geleden was dat nog 28 procent.
Bij de 35- tot 49-jarigen zakt dat percentage zelfs tot 10 procent.
Volgens Colin Sanders, expert financiële gemoedsrust bij NN, is het opvallend dat de groepen die het meest aan financiële gemoedsrust hebben ingeboet, grotendeels overeenkomen met de categorieën die mogelijk het zwaarst door de hervormingen worden getroffen.
‘De groepen respondenten bij wie de financiële gemoedsrust het sterkst is afgenomen, komen duidelijk overeen met de groepen die het meest waarschijnlijk de gevolgen van de besparingsmaatregelen zullen voelen’, stelt hij vast.
‘De pensioenhervorming bevat bijvoorbeeld heel wat maatregelen die specifiek gericht zijn op de pensioenen van ambtenaren. Bovendien worden deeltijdse werknemers erdoor benadeeld.’
Inflatie en verwarmingskosten voeden de ongerustheid
De regeringsmaatregelen zijn volgens NN evenwel niet de enige verklaring voor de huidige financiële onzekerheid.
‘Ook andere factoren verklaren waarom de financiële gemoedsrust momenteel zo laag ligt. Verwarmen dreigt deze winter opnieuw duur te worden en de inflatie trekt weer aan’, benadrukt Colin Sanders.
‘In het verleden ging elke sterke stijging van de inflatie gepaard met een duidelijke daling van de financiële gemoedsrust.’
Daar komen nog de prijzen voor benzine en diesel bij, evenals de algemene onzekerheid over de levensduurte in de komende maanden.
Toch blijft de financiële buffer op peil
Een van de opvallendste vaststellingen uit de barometer is dat de afname van de financiële gemoedsrust niet gepaard gaat met een vergelijkbare daling van het spaargeld dat mensen als financiële reserve opzijzetten.
In september 2026 beschikte 56 procent van de Belgen over een spaarbuffer waarmee ze minstens drie maanden aan uitgaven kunnen dekken. Dat percentage is identiek aan dat van maart en is de voorbije twee jaar nauwelijks veranderd.
Het verschil in financiële gemoedsrust tussen mensen met en zonder een dergelijke buffer is evenwel aanzienlijk.
Wie dankzij zijn spaargeld minstens drie maanden aan uitgaven kan financieren, haalt een indexscore van 66,2. Bij wie over minder dan drie maanden reserve beschikt of helemaal geen spaargeld heeft, zakt die score naar 44,4.
‘De Belgen hebben niet minder spaargeld dan twee jaar geleden, maar ze hebben minder vertrouwen in de toekomst’, vat Colin Sanders samen.
‘Vooral mensen die weten dat de hervormingen gevolgen voor hen zullen hebben, voelen die onzekerheid. Dat is begrijpelijk: als je niet weet hoe je toekomstige pensioen of uitkering eruit zal zien, is het moeilijk om vooruit te kijken.’
Volgens de expert van NN maakt die onzekerheid het belang van meer financiële duidelijkheid alleen maar groter: ‘In een dergelijke context bieden vooral duidelijkheid en het opbouwen van een persoonlijke financiële reserve houvast.’