Waarom Zuhal Demir alle steun verdient voor haar onderwijsbeleid
Zuhal Demir (N-VA) is de eerste minister in jaren die de neergang van het Vlaamse onderwijs echt probeert om te keren. Die terugval begon al in 2004 onder Frank Vandenbroucke, niet toevallig een socialist. Toch botst Demir nu op hevig verzet zodra ze meer lestijd, strengere normen en meer focus op kennis wil invoeren. Daarom verdient ze alle steun.
Gepubliceerd door Peter Backx
Samenvatting van het artikel
Zuhal Demir is de eerste Vlaamse minister in jaren die de structurele achteruitgang van het onderwijs actief probeert om te keren met meer focus op kennis, lestijd en kwaliteit.
Inhoud
- De terugval begon onder Vandenbroucke
- Ook taalproblemen spelen mee
- Minder lestijd, slechtere resultaten
- Gewoontes die onaantastbaar lijken
- Meer personeel, maar toch minder focus op lesgeven
- Het M-decreet maakte klassen complexer
- Waarom Demir op zoveel weerstand botst
- Demir legt opnieuw de focus op leren
- De erfenis van Vandenbroucke
- Een kabinetschef die spijt kreeg
- Vlaanderen heeft geen tijd meer te verliezen
Twintig jaar geleden behoorde Vlaanderen nog tot de absolute wereldtop voor onderwijs. Vooral voor lezen en wiskunde scoorden Vlaamse leerlingen internationaal uitzonderlijk sterk. Vandaag is dat beeld volledig veranderd. De resultaten zakken jaar na jaar verder weg.
De terugval begon onder Vandenbroucke
Die achteruitgang begon niet toevallig rond 2004. Dat is ook het moment waarop de socialist Frank Vandenbroucke minister van Onderwijs werd en een nieuwe visie op onderwijs ingang vond. Onderwijs moest minder selectief worden, inclusiever en sterker gericht op gelijke uitkomsten.
De bedoeling was sociaal gemotiveerd. Toch verschoof tegelijk ook de focus van kennis naar brede competenties en welzijn. Vanaf dat moment begonnen de internationale resultaten systematisch te dalen.
Uit PISA-onderzoeken blijkt dat Vlaanderen sinds ongeveer 2004 bijna onafgebroken terrein verliest voor lezen, wiskunde en wetenschappen. In de vroege jaren 2000 behoorde Vlaanderen nog tot de absolute wereldtop. Vandaag behoren Vlaamse leerlingen nog amper tot de Europese subtop.
Ook het internationale PIRLS-onderzoek, dat de leesvaardigheid van leerlingen in het lager onderwijs meet, toont dezelfde terugval. In 2006 stond Vlaanderen nog op de vierde plaats wereldwijd voor leesvaardigheid. In 2021 was Vlaanderen weggezakt naar plaats 32. Dat was een van de scherpste dalingen van alle deelnemende regio’s.
Het gaat ondertussen om een structurele neerwaartse trend van bijna twintig jaar.
Ook taalproblemen spelen mee
De dalende resultaten hebben meerdere oorzaken. Ook de veranderende leerlingenpopulatie speelt mee. In steeds meer scholen zitten grote groepen leerlingen die thuis weinig of geen Nederlands spreken. Vooral voor begrijpend lezen en woordenschat heeft dat een grote impact.
Leerkrachten wijzen al jaren op dezelfde realiteit: wie de onderwijstaal onvoldoende beheerst, loopt sneller achterstand op. Precies daarom legt Demir opnieuw sterker de nadruk op Nederlands als fundament van het onderwijs.
Minder lestijd, slechtere resultaten
Tegen die achtergrond wordt de analyse van Wouter Duyck bijzonder relevant. De cognitief psycholoog wees recent op een probleem waar in Vlaanderen opvallend weinig over gesproken wordt: Vlaamse leerlingen krijgen vandaag ongeveer 11 procent minder effectieve lestijd dan het Europese gemiddelde.
Dat is opmerkelijk. Vlaanderen beschikt tegelijk over een groot onderwijsapparaat en relatief veel personeel. Toch krijgen leerlingen minder lesuren dan in veel andere Europese landen.
Volgens Duyck gaat er structureel veel tijd verloren aan lange examenperiodes, deliberatieweken, pedagogische studiedagen, projectdagen en sportdagen. Daarnaast verliezen leerlingen ook lesuren door halve lesdagen en momenten waarop klassen naar huis gestuurd worden wegens afwezige leerkrachten.
Gewoontes die onaantastbaar lijken
Zelfs na de beperking van maximaal 50 halve evaluatiedagen die Demir invoerde, blijft volgens zijn berekeningen nog altijd ongeveer 14 procent van de onderwijstijd naar examens gaan. Volgens Duyck toont dat hoe sterk het Vlaamse onderwijs georganiseerd blijft rond evalueren en delibereren, eerder dan rond effectieve lestijd.
Zijn kritiek is scherp: “Het is schrijnend dat scholen direct zeggen te moeten schrappen in examendagen, terwijl ze natuurlijk ook in de deliberatieweken kunnen schrappen.”
Daarmee viseert hij een reflex die diep in het systeem zit. Zodra iemand minder examendagen voorstelt, wordt meteen gezegd dat de kwaliteit van evaluaties in gevaar komt. Over deliberatieweken of verloren lesdagen wordt veel minder kritisch nagedacht.
Die opmerking raakt een gevoelige zenuw. In Vlaanderen worden bepaalde gewoontes binnen het onderwijs bijna als onaantastbaar beschouwd. Zodra iemand voorstelt om efficiënter te werken of meer lestijd te organiseren, volgt vaak onmiddellijk protest.
Tegenstanders verwijten Demir dat ze het onderwijs te autoritair en te strak van bovenaf wil sturen. Nochtans zijn veel van haar voorstellen in andere Europese landen perfect normaal.
Meer personeel, maar toch minder focus op lesgeven
De analyse van Duyck wordt nog opvallender als je kijkt naar de evolutie van het personeelsbestand. Rond 2004 werkten er in het Vlaamse onderwijs ongeveer 155.000 personeelsleden. Vandaag zijn dat er ruim 210.000. Dat betekent een stijging met ongeveer 35 procent in twintig jaar tijd.
Toch vertaalt die forse uitbreiding zich niet automatisch in meer effectieve lestijd of betere resultaten. Vlaanderen kampt tegelijk met lerarentekorten, lesuitval en dalende prestaties. Dat komt ook omdat het onderwijsapparaat de voorbije twintig jaar sterk verbreed is.
Naast leerkrachten kwamen er steeds meer zorgcoördinatoren, leerlingbegeleiders, pedagogische begeleiders, administratieve functies, coaches en ondersteunende omkadering bij. Die functies zijn niet per definitie overbodig. Toch stellen critici terecht de vraag of de kern van onderwijs daardoor niet te veel naar de achtergrond is verschoven.
Het M-decreet maakte klassen complexer
Die evolutie werd nog versterkt door het M-decreet, dat in 2015 werd ingevoerd onder Hilde Crevits (CD&V). Het decreet moest ervoor zorgen dat zoveel mogelijk leerlingen met specifieke noden in het gewone onderwijs terechtkonden.
Ook die hervorming vertrok vanuit een sociaal ideaal. In de praktijk zorgde het M-decreet echter voor grote frustraties bij leerkrachten. Klassen werden complexer, de werkdruk steeg en veel leerkrachten hadden het gevoel dat ze tegelijk lesgever, zorgverlener en begeleider moesten zijn.
Critici wezen er bovendien op dat zowel sterke als zwakkere leerlingen daardoor minder aandacht kregen. Het M-decreet werd later gedeeltelijk vervangen door het Leersteundecreet, maar de fundamentele discussie bleef dezelfde: hoeveel extra zorgtaken kan het gewone onderwijs opnemen zonder dat de kwaliteit van lesgeven onder druk komt te staan?
Waarom Demir op zoveel weerstand botst
Ook onder Ben Weyts probeerde N-VA al voorzichtig een kentering in te zetten, onder meer met strengere eindtermen en meer aandacht voor kennis en Nederlands.
Toch gaat Demir vandaag een stap verder. Zij raakt rechtstreeks aan structuren en gewoontes die jarenlang nauwelijks in vraag werden gesteld. Precies daarom ligt haar beleid vandaag zo gevoelig binnen het onderwijs.
Wanneer zij meer effectieve lestijd wil invoeren, reageren onderwijsbonden en koepels vrijwel onmiddellijk defensief. Volgens de bonden houdt de minister te weinig rekening met de realiteit op de werkvloer. Vooral haar plannen rond evaluatiedagen, schoolorganisatie en strengere normen liggen gevoelig.
Daarnaast vinden de bonden dat scholen en leerkrachten steeds minder autonomie krijgen. Ook haar nadruk op kennis, discipline en duidelijke minimumdoelen wordt door sommige vakbonden gezien als een terugkeer naar een te klassiek onderwijsmodel.
Die kritiek verklaart waarom bijna elke hervorming meteen op protest botst. Minder examendagen zou onrealistisch zijn. Meer focus op kennis zou te eenzijdig zijn. Een debat over vakanties ligt bijzonder gevoelig. Toch valt op dat het debat vaak sneller gaat over de impact op het systeem dan over de vraag waarom de leerresultaten al twintig jaar achteruitgaan.
Demir legt opnieuw de focus op leren
Het beleid van Zuhal Demir vertrekt vanuit een eenvoudige gedachte: onderwijs moet in de eerste plaats leerlingen iets leren. Daarom legt ze opnieuw meer nadruk op kennis, basisvakken en effectieve lestijd. Nederlands en wiskunde krijgen meer aandacht. Daarnaast worden minimumdoelen strenger. Ook de lerarenopleidingen moeten opnieuw sterker inzetten op vakkennis en klasmanagement.
Wanneer Demir zegt: “Schooldagen moeten ook effectief lesdagen zijn,” dan klinkt dat voor sommige critici streng. Toch gaat het over een logische vaststelling. Leerlingen hebben tijd nodig om kennis op te bouwen. Als een groot deel van het schooljaar verloren gaat aan examens, studiedagen en onderbrekingen, heeft dat onvermijdelijk gevolgen voor het niveau.
Bovendien sluit haar aanpak aan bij wat internationale onderzoeken al jaren aantonen. Sterke onderwijssystemen combineren duidelijke minimumdoelen, veel effectieve lestijd en hoge verwachtingen.
De erfenis van Vandenbroucke
Om de huidige discussie goed te begrijpen, moet men ook kijken naar de visie op onderwijs die vanaf 2004 dominant werd. Onder Frank Vandenbroucke kwam de nadruk steeds meer te liggen op brede competenties, gelijke uitkomsten en inclusie. Leerlingen moesten langer samenblijven. Competentiegericht onderwijs werd belangrijker. Uniforme eindtermen en brede leerdoelen moesten sociale verschillen verkleinen.
Tegelijk schoof het onderwijs geleidelijk weg van zijn klassieke kerntaak: kennis overdragen. Het welzijn van leerlingen primeerde steeds vaker op prestaties en inhoudelijke vorming.
De bedoeling was nobel. Alleen bleek de praktijk veel complexer. Sterke leerlingen kregen minder uitdaging. Zwakkere leerlingen kregen minder gerichte ondersteuning. Tegelijk verloor kennis geleidelijk terrein tegenover projecten en algemene vaardigheden.
Ook zijn opvolger Pascal Smet, eveneens socialist, zette die lijn later verder.
Een kabinetschef die spijt kreeg
Opvallend is dat zelfs mensen die dicht bij dat vroegere beleid stonden vandaag erkennen dat bepaalde hervormingen negatieve gevolgen hadden. Dirk Van Damme, destijds kabinetschef van Vandenbroucke, formuleert het zo: “Wij hebben een gelijkekansenbeleid gevoerd dat, onbedoeld, een daling van de onderwijskwaliteit mee heeft gestimuleerd.”
Ook Wouter Duyck komt tot een gelijkaardige conclusie: “Door de lat te verlagen voor iedereen om gelijke uitkomsten te verkrijgen, benadeel je net ook de kwetsbare leerlingen. Er is niemand die daar beter van wordt.”
Dat is wellicht de belangrijkste conclusie van het hele debat. Een systeem dat voortdurend probeert verschillen weg te werken door de lat lager te leggen, riskeert uiteindelijk iedereen te verzwakken.
Vlaanderen heeft geen tijd meer te verliezen
Natuurlijk lost Demir niet alle problemen op. Het lerarentekort blijft groot. Ook de werkdruk blijft hoog. Sociale ongelijkheid verdwijnt niet vanzelf. Maar zij is wel de eerste minister in jaren die opnieuw durft vertrekken van kwaliteit als prioriteit.
Meer lestijd, meer kennis en duidelijkere verwachtingen vormen de kern van haar beleid. Dat botst op weerstand omdat het onderwijs zich twintig jaar lang in de tegenovergestelde richting ontwikkelde.
Net daarom is deze discussie zo fundamenteel geworden. De echte vraag is vandaag niet waarom Demir hervormt. De echte vraag is hoe lang Vlaanderen zich de huidige achteruitgang nog kan permitteren.